ECLI:NL:RBDHA:2024:8605

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
NL24.21290
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vreemdelingenrechtelijke ophouding wegens ontbreken gronden

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ophouding vond plaats van 19 mei 2024 tot 18 mei 2024. Eiser stemde in met schriftelijke afdoening van het beroep, waarna verweerder een verweerschrift indiende en het onderzoek werd gesloten.

De rechtbank verzocht eiser meerdere malen om concrete beroepsgronden in te dienen, maar deze werden niet binnen de gestelde termijn aangeleverd. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van gronden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Tevens werd benadrukt dat de rechtmatigheid van de ophouding niet ambtshalve wordt getoetst in dit stadium.

De rechtbank wees het beroep af als niet-ontvankelijk en stelde dat verweerder geen proceskosten aan eiser hoeft te vergoeden. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenrechtelijke ophouding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21290

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze ophouding is begonnen op 19 mei 2024 om 10:50 uur en geëindigd op 18 mei 2024 omstreeks 15:40 uur.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.
3. Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Verweerder heeft op 27 mei 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 29 mei 2024 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

4. Eiser heeft in het beroepschrift onder het kopje ‘gronden’ vermeld dat de ophouding in strijd is met het recht. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 23 mei 2024 verzocht om uiterlijk 25 mei 2024 17:00 uur de beroepsgronden in te dienen.
5. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift geen concrete beroepsgrond bevat en dat eiser binnen de daarvoor gestelde termijn geen gronden van beroep heeft ingediend. Als de wijze waarop gebruik is gemaakt van de bevoegdheid om een vreemdeling op te houden niet rechtmatig is, leidt dit niet zonder meer tot onrechtmatigheid van een eventueel naderhand opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring. De rechtmatigheid van de ophouding wordt daarom niet ambtshalve door de rechtbank getoetst. [1] Het niet-indienen van de gronden tegen de vreemdelingrechtelijke ophouding leidt daarom tot niet-ontvankelijkheid van dit beroep.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen gronden van beroep heeft ingediend.
7. Verweerder hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, overweging 6.1, laatste volzin.