ECLI:NL:RBDHA:2024:8605
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen vreemdelingenrechtelijke ophouding wegens ontbreken gronden
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De ophouding vond plaats van 19 mei 2024 tot 18 mei 2024. Eiser stemde in met schriftelijke afdoening van het beroep, waarna verweerder een verweerschrift indiende en het onderzoek werd gesloten.
De rechtbank verzocht eiser meerdere malen om concrete beroepsgronden in te dienen, maar deze werden niet binnen de gestelde termijn aangeleverd. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van gronden leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Tevens werd benadrukt dat de rechtmatigheid van de ophouding niet ambtshalve wordt getoetst in dit stadium.
De rechtbank wees het beroep af als niet-ontvankelijk en stelde dat verweerder geen proceskosten aan eiser hoeft te vergoeden. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenrechtelijke ophouding wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van concrete beroepsgronden.