ECLI:NL:RBDHA:2024:8642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking besluit tijdelijke bescherming en veroordeling proceskosten
De zaak betreft een beroep van verzoeker tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin de tijdelijke bescherming van verzoeker, zoals bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG, werd beëindigd. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris het bestreden besluit ingetrokken, waarmee hij tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker.
Naar aanleiding van de intrekking heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht een veroordeling in proceskosten mogelijk is indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt aan het beroep.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot veroordeling in proceskosten zonder twijfel toewijsbaar is en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875 aan proceskosten. Deze kosten betreffen een punt voor het indienen van het beroepschrift, gewaardeerd op € 875 met een wegingsfactor van 1. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en openbaar gemaakt op 29 mei 2024.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875 aan proceskosten na intrekking van het besluit tijdelijke bescherming.