ECLI:NL:RBDHA:2024:8692
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU wegens ontbreken uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, vroeg om een verblijfsdocument op grond van artikel 20 van Pro het VWEU om bij zijn broer, een Nederlandse burger, te mogen verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat volgens verweerder en de rechtbank niet is aangetoond dat er sprake is van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Eiser stelde dat hij vanwege ernstige lichamelijke en psychische problemen volledig afhankelijk is van zijn broer, die tevens zijn curator is. Hij betoogde dat de zorg in Marokko onvoldoende is en dat alleen zijn broer in Nederland hem de benodigde zorg kan bieden. Verweerder stelde daartegenover dat de zorg ook door anderen in Marokko kan worden geboden en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat alleen zijn broer deze zorg kan leveren.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de noodzakelijke uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie. De ondercuratelestelling en de zorgrelatie met de broer zijn onvoldoende om een afgeleid verblijfsrecht toe te kennen. Ook is niet gebleken dat de zorg in Marokko ontoereikend is, mede omdat eiser slechts algemene krantenartikelen over de zorgsituatie heeft overgelegd zonder medische rapportages.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een afgeleid verblijfsrecht af. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht definitief toegewezen vanwege betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een afgeleid verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.