Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin zijn verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen in een procedure over de terugvordering van een WAO-uitkering. Het bezwaar van eiser was gegrond verklaard, maar hij had geen proceskostenvergoeding aangevraagd vóór de beslissing op bezwaar.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een verzoek om proceskostenvergoeding tijdig moet worden ingediend, dus vóórdat het bestuursorgaan op het bezwaar beslist. Eiser had dit verzoek pas na de beslissing op bezwaar gedaan, waardoor hij geen recht heeft op vergoeding.
Eiser voerde aan dat hij niet wist dat hij het verzoek vooraf moest indienen en dat het bezwaar onderdeel was van een groter geschil waarbij eerder wel om vergoeding was gevraagd. De rechtbank oordeelt echter dat het hier om drie afzonderlijke procedures gaat, waarvoor telkens een afzonderlijk verzoek vereist is.
De rechtbank wijst het beroep af en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat het bestreden besluit terecht is genomen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.