ECLI:NL:RBDHA:2024:8758
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen WOZ-waarde woning te Den Haag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de heffingsambtenaar van gemeente Den Haag vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gesteld op €193.000 per 1 januari 2021. Hij stelde dat de waarde te hoog was en vorderde een lagere waarde van €180.000.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 27 maart 2024 verricht. De heffingsambtenaar heeft met behulp van een waarderingsmatrix en vergelijkingsobjecten aannemelijk gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De rechtbank acht de gehanteerde vergelijkingsobjecten passend en vindt dat voldoende rekening is gehouden met verschillen tussen die objecten en de woning.
Belanghebbende klaagde over het niet verstrekken van bepaalde onderbouwingen zoals taxatiekaarten en grondstaffels, maar de rechtbank verwijst naar recente jurisprudentie waarin deze werkwijze is toegestaan en geen schending van de toezendplicht oplevert. Ook is het motiveringsbeginsel niet geschonden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens lichte overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de vergoeding aan de gemachtigde is gecedeerd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €193.000 wordt ongegrond verklaard.