ECLI:NL:RBDHA:2024:8759
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde woning in Den Haag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning in Den Haag, vastgesteld op €826.000 per 1 januari 2021. Hij stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een lagere waarde van €742.000. De heffingsambtenaar gebruikte een vergelijkingsmethode met voldoende vergelijkbare objecten en hield rekening met relevante verschillen, waaronder de aanwezigheid van een brandgang en de ligging nabij scholen.
Belanghebbende voerde aan dat de erfpacht niet voldoende was meegewogen en dat andere vergelijkingsobjecten gebruikt hadden moeten worden. De rechtbank verwierp deze stellingen omdat de waardebepaling uitgaat van de fictie van volle en onbezwaarde eigendom en de voorgestelde alternatieve objecten minder geschikt waren.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet voldeed aan de toezendplicht van bepaalde onderliggende gegevens. De rechtbank volgde de jurisprudentie dat dit niet tot een schending leidt als de heffingsambtenaar deze gegevens niet gebruikt.
Het motiveringsbeginsel werd niet geschonden en de bezwaargronden zijn voldoende behandeld. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd afgewezen omdat de overschrijding gering was en de vergoeding was gecedeerd aan de gemachtigde.
De rechtbank ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en wijst het beroep af.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.