ECLI:NL:RBDHA:2024:8777
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- A.M.M. Vingerling
- W.G. de Boer
- K.M. Crooij-Heins
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verklaring van overlijden wegens onvoldoende bewijs vermissing Syrië
De broer van de vermiste diende een verzoek in bij de rechtbank Den Haag om een verklaring van overlijden te verkrijgen, omdat de vermiste sinds 2015 vermist wordt in Syrië. De vermiste verbleef sinds 2014 met zijn gezin in Syrië en zou volgens verklaringen van de echtgenote en familie zijn overleden door een mijnexplosie. De verzoeker overlegt onder meer een foto van het lichaam en verklaringen van derden.
De rechtbank beoordeelde de rechtsmacht en het toepasselijke recht en concludeerde dat zij bevoegd is en Nederlands recht toepast. Het Openbaar Ministerie adviseerde afwijzing van het verzoek vanwege het ontbreken van objectief bewijs en twijfel over de authenticiteit van de foto en verklaringen.
De rechtbank oordeelt dat de overgelegde verklaringen niet uit eerste hand zijn en onvoldoende objectief bewijs vormen. De foto is niet verifieerbaar en het is onduidelijk of de persoon op de foto de vermiste betreft en daadwerkelijk overleden is. Ook is gebleken dat een vergelijkbaar verzoek in Turkije niet is toegewezen, maar stukken daarvan ontbreken. Bovendien weegt mee dat de vermiste volgens de Turkse gendarmerie bij IS was aangesloten, wat de betrouwbaarheid van het bewijs kritisch maakt.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek af, omdat het overlijden niet als zeker kan worden beschouwd op basis van de voorgelegde gegevens.
Uitkomst: Het verzoek tot verklaring van overlijden wordt afgewezen wegens onvoldoende objectief en verifieerbaar bewijs.