Eiser is in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zijn asielaanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond, waarna hij beroep instelde. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 2 januari 2024, waarbij eiser werd bijgestaan door een waarnemer en een tolk.
Eiser stelde dat zijn asielaanvraag niet in de grensprocedure behandeld had mogen worden en dat de voortzetting van de grensdetentie onevenredig bezwarend was vanwege medische klachten. De rechtbank verwierp deze gronden, omdat het niet evident was dat de zaak niet voor de grensprocedure geschikt was en de medische klachten niet voldoende waren om de detentie voortijdig te beëindigen.
De rechtbank stelde ambtshalve vast dat de behandeling van het beroep meer dan vier weken na indiening plaatsvond, wat strijdig is met artikel 83b, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Hierdoor was de voortzetting van de grensdetentie niet langer evenredig, ook al lag de late planning niet aan verweerder. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de detentie per 3 januari 2024 en kende een schadevergoeding toe van €100 voor één dag onrechtmatige detentie. Tevens werden proceskosten van €1.750 toegewezen aan eiser.