Eiseres diende bezwaar in tegen een brief waarin het maandelijkse aflossingsbedrag werd vastgesteld. Na het uitblijven van een beslissing stelde eiseres het college van burgemeester en wethouders van Den Haag in gebreke. Het bestuursorgaan nam binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een beslissing op bezwaar, waarna het bezwaar kennelijk ongegrond werd verklaard.
Eiseres voerde aan dat het besluit van 27 juni 2022 geen inhoudelijk besluit was en dat daarom toch dwangsommen verschuldigd zouden zijn. De rechtbank oordeelde dat het bestuursorgaan tijdig binnen de hersteltermijn had beslist en dat het besluit wel degelijk een inhoudelijke beslissing bevatte.
De rechtbank concludeerde dat geen dwangsom is verschuldigd en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door rechter C.J. Waterbolk op 25 april 2022.