ECLI:NL:RBDHA:2024:9116

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
SGR 23/1905
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wet WOZBesluit proceskostenvergoeding bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt WOZ-beschikking wegens ontbreken hoorzitting en verwijst zaak terug

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €929.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar van gemeente Pijnacker-Nootdorp wees het bezwaar af. In geschil was of in de bezwaarfase een hoorzitting had plaatsgevonden.

Tijdens de zitting op 25 april 2024 bereikten partijen een compromis dat er geen hoorzitting had plaatsgevonden. De rechtbank sloot zich hierbij aan en verklaarde het beroep gegrond. De zaak werd terugverwezen naar de gemeente om alsnog de hoorzitting te houden.

Belanghebbende verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een geringe overschrijding van ruim twee maanden, maar zag geen aanleiding tot vergoeding omdat de vergoeding volgens de gemachtigde aan deze laatste toekomt.

De rechtbank veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten van €1030 en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €50 aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers op 6 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak terugverwezen voor alsnog horen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/1905

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende(gemachtigde: J.W. Vugts)

en

de heffingsambtenaar van gemeente Pijnacker-Nootdorp, heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 6 februari 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 929.000 (de beschikking).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2024.
Namens belanghebbende zijn verschenen [naam 1] en [naam 2]. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] en [naam 4].

Overwegingen

1. In geschil is de vraag of er in de bezwaarfase een hoorzitting heeft plaatsgevonden.
2. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over hetgeen hen aanvankelijk verdeeld hield en wel in die zin dat er naar hun oordeel geen hoorzitting heeft plaatsgevonden in de bezwaarfase. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond en verwijst de rechtbank de zaak terug naar de gemeente Pijnacker-Nootdorp om alsnog te horen.
4. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is op 25 maart 2022 door de heffingsambtenaar ontvangen. Daarmee is ten tijde van het doen van deze uitspraak sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee maanden. Belanghebbende heeft in beginsel recht op een vergoeding ter compensatie voor de spanning en frustratie als gevolg van de lange duur van de procedure. Ter zitting is bevestigd dat op grond van de algemene voorwaarden van de gemachtigde deze vergoeding zal toekomen aan de gemachtigde en niet aan belanghebbende, zodat het toekennen van de vergoeding voor belanghebbende geen compensatie vormt. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en niet over te gaan tot het toekennen van enige vergoeding voor immateriële schade.
5. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 0,5 (licht), gelet op het feit dat het geschil zich enkel beperkt tot het antwoord op de vraag of de hoorplicht is geschonden. [1] De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1030 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 310 (tarief 2024), 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024) en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt de uitspraak op bezwaar;
 verwijst de zaak terug naar de gemeente Pijnacker-Nootdorp;
 veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1030;
 draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 11 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2131.