Uitspraak
Rechtbank den haag
,
Rechtbank Den Haag
In deze zaak stond centraal of de voorgenomen verkoop van een perceel gemeentegrond door de Gemeente Leidschendam-Voorburg aan 1828-VIII in strijd was met het Didam-arrest. Eiser, eigenaar van nabijgelegen vastgoed, stelde dat hij ook als serieuze gegadigde had moeten worden aangemerkt en dat een openbare selectieprocedure had moeten plaatsvinden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser tijdig en ontvankelijk was in zijn vorderingen en dat er geen sprake was van misbruik van procesrecht. De kernvraag was of de gemeente terecht kon volstaan met een onderhandse verkoop aan 1828-VIII, omdat deze de enige serieuze gegadigde zou zijn.
De gemeente had beleidsvrijheid om grond te verkopen in lijn met haar doelstellingen, waaronder sociale woningbouw. 1828-VIII is eigenaar van het aangrenzende perceel en wil een integrale ontwikkeling realiseren die alleen haalbaar is met aankoop van het perceel. Eiser bezit geen aangrenzend perceel en wil het perceel alleen als parkeerplaats ontwikkelen, wat niet past binnen het gemeentelijk beleid.
De gemeente had haar voornemen tijdig en transparant bekendgemaakt en gemotiveerd waarom 1828-VIII als enige serieuze gegadigde werd aangemerkt. De voorzieningenrechter concludeerde dat de gemeente niet verplicht was een openbare selectieprocedure te organiseren en wees de vorderingen van eiser af.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis bevestigt dat een gemeente onder het Didam-arrest een uitzondering kan maken voor onderhandse verkoop indien objectief en toetsbaar is vastgesteld dat slechts één serieuze gegadigde bestaat.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en bevestigt dat de gemeente de grond mag verkopen aan de enige serieuze gegadigde zonder openbare selectieprocedure.