ECLI:NL:RBDHA:2024:9145
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking toevoeging rechtsbijstand wegens te hoog vermogen bevestigd
Eiser kreeg op 14 april 2021 een toevoeging voor rechtsbijstand op basis van voorlopige inkomens- en vermogensgegevens van de Belastingdienst over 2019. Na een ambtshalve hercontrole in 2023 bleek dat het definitief vastgestelde vermogen van eiser €393.753,- bedroeg, wat boven de wettelijke grens ligt voor toevoeging. Verweerder trok daarom de toevoeging met terugwerkende kracht in.
Eiser voerde aan dat de intrekking onterecht was omdat de strafzaak was geseponeerd, er geen declaratie was ingediend, en verweerder eerst de uitkomst van het geschil met de Belastingdienst had moeten afwachten. Ook stelde hij dat hij had moeten worden gehoord en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat eiser wel procesbelang had omdat bij een gegrond beroep de voormalige advocaat geen declaratie meer kan sturen. De rechtbank vond dat verweerder terecht uitging van de definitieve gegevens van de Belastingdienst en niet hoefde te wachten op de uitkomst van het bezwaar tegen de vermogensvaststelling. De hoorplicht was niet geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het besluit niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard, de intrekking van de toevoeging bleef in stand, en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toevoeging wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.