ECLI:NL:RBDHA:2024:9147

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
NL24.11647
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000 wegens zicht op uitzetting

In deze bestuursrechtelijke zaak staat het beroep van eiser centraal tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om hem in bewaring te stellen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de maatregel met het argument dat er geen zicht zou zijn op uitzetting vanwege problemen met de afgifte van laissez-passers door Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat sinds september 2023 een kentering heeft plaatsgevonden in de afgifte van laissez-passers en dat vanaf januari 2024 aanvragen op basis van dacty mogelijk zijn. Voor eiser is op 22 februari 2024 een aanvraag ingediend, waardoor het zicht op uitzetting voldoende is. Daarnaast heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld, onder meer door een vertrekgesprek te plannen en het geautomatiseerde rappelproces.

De rechtbank wijst het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er zijn geen aanwijzingen dat de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de bewaring niet zijn nageleefd. De uitspraak is gedaan door rechter W.P.C.G. Derksen en griffier J. de Graaf en is openbaar bekendgemaakt op 2 april 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11647

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 20 februari 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser heeft door middel van een door hem ondertekende afstandverklaring, afstand gedaan van het recht om te worden gehoord.
1.2.
Na de zitting heeft de staatssecretaris nadere stukken ingediend. Deze stukken laat de rechtbank buiten beschouwing en zijn geen aanleiding voor heropening van het onderzoek (zie hieronder onder 5.1).

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de door de staatssecretaris aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden, als ook de motivering daarvan, en het daaruit voortvloeiende risico op onttrekking.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser stelt dat er problemen zijn met de afgifte van laissez-passers (lp’s) door de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat eiser van mening is dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris heeft tijdens de zitting meegedeeld dat er sinds september 2023 een kentering is gekomen in de afgifte van lp’s door Algerije en dat vanaf januari 2024 de mogelijkheid bestaat om lp’s aan te vragen op basis van dacty. In het geval van eiser is dit ook gebeurd en is op 22 februari 2024 een aanvraag ingediend door middel van het verstrekken van een usb-stick aan de Algerijnse autoriteiten. Gelet op deze toelichting van de staatssecretaris ziet de rechtbank dan ook geen grond om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.
Heeft de staatsecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
5. Voor sluiting van het onderzoek ter zitting bevonden zich in het dossier geen gegevens waaruit blijkt dat de staatssecretaris na 22 februari 2024 de Algerijnse autoriteiten heeft gerappelleerd. Op de zitting kon de gemachtigde van de staatssecretaris hierover nog geen uitsluitsel geven. Wel wees zij erop dat hier sprake is van een geautomatiseerd rappelproces, waardoor zij ervan uitging dat rappel had plaatsgevonden.
5.1.
De rechtbank ziet in de na sluiting van het onderzoek aan het dossier toegevoegde stukken geen aanleiding voor heropening van het onderzoek. Ook los van die stukken komt de rechtbank namelijk tot het oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend heeft gehandeld.
5.2.
De staatssecretaris heeft immers op 12 maart 2024 een poging ondernomen om een vertrekgesprek met eiser te voeren (waaraan eiser niet wilde meewerken), zodat alleen al hierom niet kan worden gesteld dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank heeft hierbij mede betrokken de nog relatief korte duur van de inbewaringstelling op deze grondslag en de korte duur tussen de aanvraag om een lp en het sluiten van het onderzoek en de mededeling dat sprake is van een geautomatiseerd rappelproces.
Ambtshalve toets
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.