ECLI:NL:RBDHA:2024:9332

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
NL24.23016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 10 april 2024 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst op 30 april 2024 en richt zich nu op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 23 april 2024.

Eiser voert aan dat er geen redelijk zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege de lange duur van de aanvraag van een laissez-passer en het ontbreken van identiteitsdocumenten. De rechtbank oordeelt echter dat de lopende aanvragen voor laissez-passer voor Libanon en Marokko nog steeds in behandeling zijn en dat de mogelijkheid op verstrekking nog bestaat. Daarnaast kan eiser zelf bijdragen aan het verkorten van de procedure door mee te werken aan het verkrijgen van documenten, waarvan uit de stukken geen bereidheid blijkt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en bevestigt dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23016

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer],eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 10 april 2024.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak van 30 april 2024. [1]
1.2.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 7 juni 2024 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
4.1.
Uit de uitspraak van 30 april 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 23 april 2024) rechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
5. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. De aanvraag voor een laissez-passer (lp) duurt nu namelijk langer dan zes weken. Er is nog geen presenteerdatum bekend en het is algemeen bekend dat er na de presentatie in persoon nog geruime tijd overheen gaat voordat een lp wordt verstrekt. Bovendien heeft eiser geen documenten en kan hij daar ook niet aan komen, dus is het de vraag of überhaupt een lp zal worden verstrekt.
5.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. De lp’s voor Libanon en Marokko zijn halverwege april 2024 aangevraagd. Ten aanzien van Marokko heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) op 14 november 2022 nog geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen niet ontbreekt. [3] De omstandigheid dat nog niet bekend is wanneer een presentatie gepland staat en dat inmiddels tijd is verstreken sinds de lp-aanvragen, is onvoldoende voor de conclusie dat het redelijk vooruitzicht op verwijdering in het individuele geval van eiser ontbreekt. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat eiser geen documenten heeft. Uit de stukken blijkt dat de aanvragen om een lp nog steeds in behandeling zijn. Hierdoor bestaat nog steeds de mogelijkheid dat de Marokkaanse en/of Libanese autoriteiten aan eiser een lp zullen verstrekken. Bovendien kan eiser de tijd verkorten door zelf mee te werken aan het verkrijgen van (kopieën van) identiteitsdocumenten. Uit de stukken blijkt niet van een bereidheid daartoe. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. De maatregel van bewaring blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem), ECLI:NL:RBDHA:2024:2376.
2.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.