ECLI:NL:RBDHA:2024:9332
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 10 april 2024 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst op 30 april 2024 en richt zich nu op de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het onderzoek op 23 april 2024.
Eiser voert aan dat er geen redelijk zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege de lange duur van de aanvraag van een laissez-passer en het ontbreken van identiteitsdocumenten. De rechtbank oordeelt echter dat de lopende aanvragen voor laissez-passer voor Libanon en Marokko nog steeds in behandeling zijn en dat de mogelijkheid op verstrekking nog bestaat. Daarnaast kan eiser zelf bijdragen aan het verkorten van de procedure door mee te werken aan het verkrijgen van documenten, waarvan uit de stukken geen bereidheid blijkt.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en bevestigt dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurt. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.