ECLI:NL:RBDHA:2024:9369
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ongegrond verklaard
Opposant, met de Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in die niet in behandeling werd genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat Polen verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposant op 28 februari 2024 zonder zitting ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren om het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Polen te verwerpen.
Opposant stelde in verzet dat de zaak niet zonder zitting mocht worden afgedaan, verwijzend naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Awb en jurisprudentie over de hoorplicht. Hij voerde aan dat de politieke situatie in Polen en zijn persoonlijke omstandigheden een zitting rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde echter dat het verzoek om zitting op zichzelf onvoldoende is en dat opposant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een zitting noodzakelijk maakten.
De rechtbank benadrukte dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond en dat de bestuursrechter bevoegd is om in dat geval zonder zitting uitspraak te doen. Ook de lengte van de bestreden uitspraak werd niet als reden gezien om het verzet gegrond te verklaren. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 28 februari 2024 bleef in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.