Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken om een visum voor kort verblijf voor zijn echtgenote, een Jemenitische vreemdelinge verblijvend in Turkije, af te wijzen. De Minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende aangetoonde verblijfsomstandigheden en twijfel aan de tijdige terugkeer van de vreemdelinge.
De rechtbank oordeelt dat de Minister terecht een ruime beoordelingsmarge heeft gehanteerd en dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdelinge om Nederland vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Factoren zoals het ontbreken van een eigen inkomen, het verlopen van de verblijfsvergunningen in Turkije zonder verlengingsaanvraag, en het feit dat de kinderen achterblijven zonder onderbouwde zorgrelatie, leiden tot deze conclusie.
Verder is geoordeeld dat het woningbezit en de aanwezigheid van familie in Turkije onvoldoende economische en sociale binding vormen om een tijdige terugkeer te garanderen. De Minister heeft de relevante factoren gemotiveerd afgewogen en mocht afzien van het horen in bezwaar omdat de aangevoerde argumenten geen ander besluit konden rechtvaardigen.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.