ECLI:NL:RBDHA:2024:9446

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
NL24.18631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening ondanks zorgen over Franse opvang

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 27 december 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Frankrijk had eerdere verzoeken om internationale bescherming van eiser afgewezen, maar het verzoek tot terugname door Nederland werd door Frankrijk aanvaard.

Eiser voerde aan dat de opvangsituatie in Frankrijk ernstig tekortschiet, mede door de aankomende Olympische Spelen, en dat Nederland op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich had moeten trekken. Hij verwees naar rapporten en jurisprudentie die volgens hem een reëel risico op schending van mensenrechten bij overdracht aan Frankrijk aantonen.

De rechtbank oordeelde echter dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt en dat de problemen in Frankrijk niet zodanig structureel en ernstig zijn dat overdracht aan Frankrijk leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 van Pro het Handvest. Bovendien zijn er geen bijzondere, individuele omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18631

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 2000 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 27 december 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit Eurodac en de verklaringen van eiser is gebleken dat hij op 26 oktober 2020 en op 23 februari 2023 in Frankrijk verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Daarbij is gebleken dat de autoriteiten van Frankrijk deze verzoeken om internationale bescherming hebben afgewezen. Verweerder heeft daarom op 15 februari 2024 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, Dublinverordening. [2] Op 29 februari 2024 hebben de Franse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, en voert daartoe het volgende aan.
Verweerder gaat volgens eiser ten onrechte uit van het interstatelijke vertrouwensbeginsel, onder verwijzing naar in zijn ogen gedateerde uitspraken van de Afdeling. [3] Verweerder had eisers asielaanvraag aan zich moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening omdat sprake is van structurele tekortkomingen in de Franse opvang. Uit het AIDA [4] -rapport over Frankrijk, update 2022, blijkt dat de bijzondere drempel van zwaarwegendheid in de zin van het arrest Jawo [5] inmiddels is bereikt omdat de situatie in Frankrijk met betrekking tot de asielopvang is verslechterd en vanwege de aankomende Olympische Spelen nog verder verslechtert. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 februari 2024 [6] en artikelen van CNN
‘France moves homeless people out of Paris as city prepares for next summer’s Olympics’van 29 september 2023 en van Human Rights Watch,
‘France: Migrant Children Sleep in the Street in Marseille’, van 30 januari 2024. Eiser meent dat hij een reëel risico loopt opnieuw op straat te belanden en verstoken te blijven van de noodzakelijke voorzieningen zodat zijn overdracht strijdig is met de artikelen 3 van het EVRM [7] en 4 van het Handvest [8] .
De rechtbank overweegt als volgt.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan [9] . In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling heeft dit meermaals bevestigd in haar uitspraken. De Afdeling heeft in onder meer de uitspraak van 9 oktober 2023 geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2022 geen wezenlijk ander beeld schetst dan al eerder naar voren is gekomen in het AIDA-rapport, update 2021, welke in de uitspraak van 5 april 2023 is beoordeeld. Dit is nogmaals bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024. [10] Hieruit volgt dat uit het AIDA-rapport weliswaar kan worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar dat niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
6. Het betoog van eiser dat de voortduring van de geschetste omstandigheden en de nieuwe situatie vanwege de aankomende Olympische Spelen, zou moeten leiden tot het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, slaagt ook niet. Uit de uitspraken van de Afdeling blijkt namelijk niet dat het oordeel afhankelijk was van hoe lang een en ander gaande was. Uit vaste jurisprudentie volgt verder dat eiser moet klagen bij de autoriteiten van Frankrijk in het geval Frankrijk zich niet aan de Europese richtlijnen houdt. Er is niet gebleken dat voor eiser die mogelijkheid niet bestaat of dat klagen bij voorbaat zinloos is. De autoriteiten van Frankrijk zijn vanwege het claimakkoord gehouden om het verzoek om internationale bescherming in overeenstemming met de Europese asielrichtlijnen in behandeling te nemen.
Had verweerder de aanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Voor zover eiser betoogt dat verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken, gelet op de omstandigheden waarin hij in Frankrijk terecht zal komen, slaagt dit betoog evenmin.
8. Verweerder heeft redelijkerwijs geen toepassing gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. [11] Eiser heeft echter geen bijzondere, individuele, omstandigheden aangevoerd. De door eiser aangevoerde omstandigheden zien immers op de algemene situatie in Frankrijk. In rechtsoverweging 5 is al geoordeeld dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
9. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze zittingsplaats, rechtbank Amsterdam, slaagt ook niet. In die zaak ging het namelijk om het verlenen van opvang aan een kwetsbaar persoon, namelijk een zwangere vrouw. Eiser heeft niet gesteld en onderbouwd dat hij een kwetsbaar persoon is zoals bedoeld in artikel 21 van Pro de Opvangrichtlijn. [12]
10. Verweerder heeft dan ook geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
11. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:715) 5 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1318) en 9 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3737.
4.Asylum Information Database.
5.Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Zaaknummers NL24.2985 en NL24.2986.
7.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Handvest van de grondrechten van de EU.
9.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw.
11.Dat staat in artikel 17 van Pro de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
12.Richtlijn 2013/33.