ECLI:NL:RBDHA:2024:9449

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
NL23.26916
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 8:83 lid 3 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na intrekking tijdelijke beschermingsstatus

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van 17 augustus 2023 waarin zijn tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG werd beëindigd. Daarnaast verzocht hij om een voorlopige voorziening. Op 23 februari 2024 trok de staatssecretaris het bestreden besluit in, maar verzoeker handhaafde zijn beroep.

De voorzieningenrechter oordeelde dat nu het beroep is behandeld en het besluit is ingetrokken, een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.

Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt, vastgesteld op € 875 volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26916

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Heida),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 17 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaaknummer NL23.26915). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 23 februari 2024 heeft verweerder meegedeeld dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken.
Verzoeker heeft desgevraagd meegedeeld dat hij het beroep handhaaft.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. In de afdoening van het beroep ziet de voorzieningenrechter aanleiding om
verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt
de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 bestaande uit een punt voor
het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd
met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten ter hoogte van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 5 juni 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.