ECLI:NL:RBDHA:2024:96
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing Wlz-indicatie en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De rechtbank beoordeelt of eiser procesbelang heeft bij dit beroep, aangezien een latere nieuwe aanvraag eveneens is afgewezen en onherroepelijk is geworden doordat geen bezwaar is gemaakt.
De rechtbank concludeert dat het beroep slechts betrekking heeft op een afgesloten periode in het verleden, namelijk van 7 oktober 2020 tot 5 augustus 2021, en dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Er is geen sprake van kosten of betalingsverplichtingen voor geleverde zorg in die periode, en het onherroepelijke besluit over de nieuwe aanvraag maakt een inhoudelijk oordeel niet relevant voor toekomstige perioden.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat het beroep niet-ontvankelijk is, maar dat de termijnoverschrijding van circa tien maanden in de beroepsfase een vergoeding van €1.000 rechtvaardigt, te betalen door de Staat.
De rechtbank veroordeelt de Staat ook in de proceskosten van eiser voor het verzoek om schadevergoeding, begroot op €418,50. Het vonnis is uitgesproken op 4 januari 2024 door rechter C.J. Waterbolk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wlz-aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard en de Staat is veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.