ECLI:NL:RBDHA:2024:9668
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na ingetrokken beroep asielaanvraag
De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van proceskosten door verzoeker na het intrekken van een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Verzoeker had zijn asielaanvraag ingediend op 30 oktober 2022. De beslistermijn van zes maanden werd door verweerder verlengd met negen maanden op grond van de WBV 2022/22. Verzoeker stelde verweerder op 30 januari 2024 in gebreke, maar op die datum was verweerder nog niet te laat met beslissen.
Op 7 mei 2024 nam verweerder alsnog een inwilligend besluit op de aanvraag, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet is tegemoetgekomen aan het beroep omdat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep niet terecht was ingesteld.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van proceskosten af en deed zij zonder zitting uitspraak op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 12 juni 2024.
Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het beroep niet terecht was ingesteld.