ECLI:NL:RBDHA:2024:9668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
NL24.5986
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWBV 2022/22
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na ingetrokken beroep asielaanvraag

De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van proceskosten door verzoeker na het intrekken van een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Verzoeker had zijn asielaanvraag ingediend op 30 oktober 2022. De beslistermijn van zes maanden werd door verweerder verlengd met negen maanden op grond van de WBV 2022/22. Verzoeker stelde verweerder op 30 januari 2024 in gebreke, maar op die datum was verweerder nog niet te laat met beslissen.

Op 7 mei 2024 nam verweerder alsnog een inwilligend besluit op de aanvraag, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet is tegemoetgekomen aan het beroep omdat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep niet terecht was ingesteld.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van proceskosten af en deed zij zonder zitting uitspraak op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 12 juni 2024.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat het beroep niet terecht was ingesteld.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.5986
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: D. Meier).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van verzoeker.
Op 7 mei 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder niet tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door zijn aanvraag alsnog in te willigen, omdat de ingebrekestelling prematuur zou zijn.
4. Voor de vraag of verweerder de proceskosten van verzoekster moet betalen is van belang of het beroep terecht is ingesteld. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
5. Verzoeker heeft de aanvraag ingediend op 30 oktober 2022. Verweerder moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Verweerder heeft deze termijn onder toepassing van de WBV 2022/22 met negen maanden verlengd. Eiser heeft verweerder op 30 januari 2024 in gebreke gesteld. Op die dag was verweerder nog niet te laat met beslissen.
6. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de proceskosten door verweerder af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van L.M. Kalkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 juni 2024

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.