ECLI:NL:RBDHA:2024:9856

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
25 juni 2024
Zaaknummer
NL23.39229
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens premature ingebrekestelling bij asielaanvraag

Eiser diende op 12 augustus 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris onderzocht aanvankelijk of Bulgarije verantwoordelijk was voor de aanvraag, maar besloot uiteindelijk de aanvraag in de nationale procedure te behandelen vanaf 3 november 2022. De wettelijke beslistermijn van zes maanden werd verlengd met negen maanden, waardoor de beslistermijn op 28 januari 2024 eindigde.

Eiser stelde de staatssecretaris op 17 november 2023 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en diende op 14 december 2023 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling te vroeg is ingediend, omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en behandelde de zaak zonder zitting, aangezien partijen geen zitting wensten. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en openbaar gemaakt op 25 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens een te vroeg ingediende ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39229

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van [land] nationaliteit,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Procesverloop

Eiser heeft op 12 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Bij brief van 17 november 2023, door de staatssecretaris ontvangen op 21 november 2023, heeft eiser de staatssecretaris in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Op 14 december 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De staatssecretaris heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
2. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. Eiser heeft op 12 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft in eerste instantie onderzocht of de aanvraag niet in behandeling diende te worden genomen, omdat hij vermoedde dat Bulgarije verantwoordelijk was voor de aanvraag. Op
3 november 2022 heeft de staatssecretaris eiser bericht dat zijn aanvraag behandeld zal worden in de nationale procedure, na de afwijzing van het verzoek om heroverweging door Bulgarije op 28 oktober 2022. Uit artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) volgt dat de staatssecretaris vanaf die datum verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. Naast de wettelijke beslistermijn van zes maanden [1] heeft de staatssecretaris met de inwerkingtreding van WBV 2022/22 de beslistermijn verlengd met negen maanden [2] , waardoor de beslistermijn voor eisers aanvraag op 28 januari 2024 is geëindigd. Dat betekent dat de ingebrekestelling van 17 november 2023 te vroeg is ingediend, hetgeen leidt tot een niet-ontvankelijk beroep.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.artikel 42, eerste lid, van de Vw
2.op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw