ECLI:NL:RBDHA:2024:9898
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzet tegen uitspraak over Dublin-overdracht en nationale procedure
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van opposant tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het beroep van opposant tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Bulgarije ongegrond werd verklaard.
Opposant stelde medische omstandigheden aan de orde, met bewijs van specialistische zorg en revalidatie na een heupoperatie, en betoogde dat overdracht naar Bulgarije onevenredige hardheid zou betekenen. De rechtbank oordeelde in het eerdere vonnis dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije van toepassing blijft, dat opposant onvoldoende onderbouwde dat hem medische zorg werd onthouden, en dat overdracht niet onevenredig hard zou zijn.
Tijdens de zitting op 11 juni 2024 werd vastgesteld dat de uiterste overdrachtstermijn op 13 mei 2024 was verstreken, terwijl opposant nog in Nederland verbleef, vermoedelijk in Ter Apel. Hierdoor is opposant opgenomen in de nationale procedure, hetgeen het doel van zijn beroep bereikt. Daarom heeft de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de overdrachtstermijn is verstreken en opposant in de nationale procedure is opgenomen.