ECLI:NL:RBDHA:2024:9917
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn verklaard. Hij stelt dat hij geen inkomen heeft en zijn gezondheid hem belemmert in het voorzien in zijn onderhoud, waardoor hij vijf tot zes maanden zonder inkomsten moet overbruggen.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker verzocht zijn financiële situatie met actuele stukken te onderbouwen en te verklaren of hij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Verzoeker gaf aan niet aan de voorwaarden voor bijstand te voldoen vanwege medische redenen en de aanwezigheid van een minderjarige halfbroer waarvoor hij een vergoeding ontvangt. Hij overlegt echter geen actuele en relevante financiële documenten die een acute noodsituatie aantonen.
Verweerder stelt dat onvoldoende inzicht is gegeven in de financiële situatie en dat het enkele argument van de doorlooptijd van het bezwaar onvoldoende is voor een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat een bijstandsuitkering mogelijk is en er geen onomkeerbare situatie is. Het verzoek wordt daarom zonder zitting afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing WIA-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.