ECLI:NL:RBDHA:2024:9920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
26 juni 2024
Zaaknummer
NL24.23416
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitChavez-Vilchez-arrest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, een burger van de Democratische Republiek Congo, is op 3 juni 2024 de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 behandeld.

De staatssecretaris motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De rechtbank stelde vast dat eiser de zware gronden onder 3c en 3i niet betwistte, welke voldoende waren om de bewaring te dragen. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn vanwege lopende juridische procedures en zijn wens om een strafzaak in Nederland bij te wonen, maar de rechtbank vond deze argumenten onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat het verblijf bij familie en de relatie met zijn ex-partner onvoldoende garanties bieden voor terugkeer. Ook het Openbaar Ministerie had geen bezwaar tegen uitzetting, en een visumaanvraag voor het bijwonen van de strafzaak in Congo werd als alternatief genoemd. Ambtshalve toetsing wees uit dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.23416
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. S. Kowsari).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.

Overwegingen

1. Eiser is een burger van de Democratische Republiek Congo en is geboren op [geboortedatum] 1988.
De gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3c en 3i niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden onder 3c en 3i zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiser aan dat hij hier nog verschillende juridische procedures heeft lopen. Verder wil hij de strafzaak in de zaak waarvoor hij op 3 juni 2024 is aangehouden in Nederland bijwonen. Eiser heeft familie in Nederland en de situatie met zijn ex-partner is inmiddels weer goed.
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel blijkt het risico op onttrekking. Een eventueel verblijf bij familie en/of een goede verstandhouding met zijn ex-partner bieden onvoldoende garantie dat hij daadwerkelijk naar de Democratische Republiek Congo zal terugkeren. Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor verblijf bij zijn zoontje op grond van het arrest Chavez-Vilchez is op 31 mei 2024 ongegrond verklaard. Eiser heeft niet onderbouwd dat er op dit moment procedures lopen waarvan hij de uitkomst in Nederland moet mogen afwachten. Voor wat betreft de wens van eiser om bij de strafzaak aanwezig te zijn, overweegt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de uitzetting van eiser. De rechtbank gaat daarvan uit. Op de zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris nog aangegeven dat eiser in de Democratische Republiek Congo eventueel een visum kan aanvragen om zijn strafzaak in Nederland bij te kunnen wonen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 juni 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.