ECLI:NL:RBDHA:2024:9970

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
27 juni 2024
Zaaknummer
NL24.12013
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak EU-verblijfsdocument

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsdocument opnieuw ongegrond werd verklaard. Het verzoek betrof het mogen afwachten van de uitspraak op het beroep in Nederland.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat aangezien het beroep (zaaknummer NL24.12011) waarop het verzoek betrekking heeft reeds is beslist, een voorlopige voorziening niet langer nodig is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.

Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 875, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 187, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 25 juni 2024 en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12013

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsdocument opnieuw ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep (NL24.12011) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak in de zaak met nummer NL24.12011 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Gelet op de uitkomst van het beroep ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187 vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro) aan proceskosten aan verzoekster;
 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2024 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.