Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van omwonenden tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor de bouw van 18 appartementen, een winkel en een parkeergarage op een locatie in Den Haag. Eisers betwisten de rechtmatigheid van de vergunning, met name vanwege een overschrijding van de maximale bouwhoogte en mogelijke schaduwhinder.
De rechtbank overweegt dat de aanvraag is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor de Wabo van toepassing blijft. Het bestemmingsplan 'Scheveningen Haven' is onherroepelijk en bepaalt de bouwmogelijkheden, waarbij het college een geringe overschrijding van 92 cm op de toegestane bouwhoogte aan de achterzijde heeft toegestaan. De adviescommissie bezwaarschriften concludeerde dat deze overschrijding stedenbouwkundig voorstelbaar is en geen onaanvaardbare gevolgen heeft.
Eisers stelden dat het bestemmingsplan verouderde normen bevat en dat de bezonningsstudie van een bouwkundig adviesbureau een verslechtering van het woon- en leefklimaat aantoont. De rechtbank wijst dit af omdat het bestemmingsplan onherroepelijk is en de bezonningsstudie geen verslechtering ten opzichte van de bouwmogelijkheden volgens het bestemmingsplan aantoont.
De rechtbank concludeert dat de geringe overschrijding van de bouwhoogte niet leidt tot zodanige schaduw- of windhinder dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt. De beroepen worden ongegrond verklaard en het college heeft de vergunning op juiste gronden verleend.