ECLI:NL:RBDHA:2025:10069
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 september 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens heeft hij een voorlopige voorziening verzocht om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek zonder zitting en gaat, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht in een cluster van vergelijkbare zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker heeft niet duidelijk gemaakt welke voorlopige voorziening wordt gevraagd, maar dit wordt geïnterpreteerd als opschorting van de terugkeerplicht.
Verzoeker beroept zich zonder onderbouwing op het associatierecht tussen de EU en Turkije en heeft geen aanvullende gronden aangeleverd ondanks gelegenheid daartoe. Het bezwaar en het verzoek om voorlopige voorziening worden daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.