ECLI:NL:RBDHA:2025:10073
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering reguliere verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 september 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de terugkeer naar Turkije op te schorten.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en misbruik van recht in een cluster van soortgelijke zaken, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte niet duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, waardoor werd aangenomen dat het verzoek betrekking had op opschorting van de terugkeer.
Verzoeker voerde zonder onderbouwing een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije aan en bood aan de aanvraag aan te vullen, maar maakte hier geen gebruik van. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen kans van slagen heeft en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Het bezwaar werd vervolgens ongegrond verklaard op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.