ECLI:NL:RBDHA:2025:10139
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid als zelfstandige, gebaseerd op het verdrag tussen de Europese Unie en Turkije. De minister heeft deze aanvraag op 17 maart 2022 afgewezen en is bij die afwijzing gebleven na bezwaar op 1 september 2022. De minister heeft de motivering van het besluit aangevuld met een brief van 21 maart 2024.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een andere zaak op 3 april 2024 behandeld, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet verschenen waren.
Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.