ECLI:NL:RBDHA:2025:1014
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De rechtbank Den Haag beoordeelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 16 oktober 2024. Eerder was de maatregel reeds getoetst en als rechtmatig bevonden tot 29 oktober 2024. Het huidige beroep richt zich op de rechtmatigheid van de maatregel sinds dat moment.
Eiser verzocht om een zitting, maar dit werd niet toegewezen omdat de rechtbank voldoende informatie had op basis van het dossier. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Oezbekistan binnen een redelijke termijn, mede omdat hij nog niet was gepresenteerd aan de Oezbeekse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat enige tijd gegund mag worden voor de afgifte van een laissez-passer en dat geen aanwijzingen bestonden dat de aanvraag was afgewezen.
Daarnaast voerde eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend zou werken aan zijn uitzetting, mede vanwege zijn plaatsing op een extra zorg afdeling. De rechtbank concludeerde op basis van de voortgangsrapportage en vertrekgesprekken dat de minister voldoende inspanningen verrichtte, waaronder herhaalde schriftelijke rappelleringen aan de Oezbeekse autoriteiten.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat eiser alle medewerking verleende aan zijn uitzetting, omdat daar geen bewijs voor was. De ambtshalve toetsing leverde geen reden op om de maatregel als onrechtmatig te beoordelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.