ECLI:NL:RBDHA:2025:1014

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2025
Publicatiedatum
29 januari 2025
Zaaknummer
NL25.1600
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag beoordeelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op 16 oktober 2024. Eerder was de maatregel reeds getoetst en als rechtmatig bevonden tot 29 oktober 2024. Het huidige beroep richt zich op de rechtmatigheid van de maatregel sinds dat moment.

Eiser verzocht om een zitting, maar dit werd niet toegewezen omdat de rechtbank voldoende informatie had op basis van het dossier. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Oezbekistan binnen een redelijke termijn, mede omdat hij nog niet was gepresenteerd aan de Oezbeekse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat enige tijd gegund mag worden voor de afgifte van een laissez-passer en dat geen aanwijzingen bestonden dat de aanvraag was afgewezen.

Daarnaast voerde eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend zou werken aan zijn uitzetting, mede vanwege zijn plaatsing op een extra zorg afdeling. De rechtbank concludeerde op basis van de voortgangsrapportage en vertrekgesprekken dat de minister voldoende inspanningen verrichtte, waaronder herhaalde schriftelijke rappelleringen aan de Oezbeekse autoriteiten.

De rechtbank verwierp ook de stelling dat eiser alle medewerking verleende aan zijn uitzetting, omdat daar geen bewijs voor was. De ambtshalve toetsing leverde geen reden op om de maatregel als onrechtmatig te beoordelen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1600

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 16 oktober 2024.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 november 2024. [1]
De minister heeft de rechtbank op 10 januari 2025 van het voortduren van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 16 januari 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [3]
1.1.
Uit de uitspraak van 5 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 29 oktober 2024) rechtmatig is.
Geen zitting
2. Hoewel eiser verzocht heeft om op zitting gehoord te worden, heeft de rechtbank aan dat verzoek geen gevolg gegeven. Het horen van de vreemdeling in vervolgberoepen is niet verplicht. Het horen van eiser is in dit geval ook niet nodig. De rechtbank heeft namelijk op basis van de stukken in het procesdossier al voldoende informatie om een oordeel te kunnen geven over het vervolgberoep. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de minister, naar aanleiding van het vertrekgesprek van 8 januari 2025, bij de landverantwoordelijke extra aandacht heeft gevraagd voor het dossier van eiser. In dit kader is de stellingname van eiser dat hij is geplaatst op de extra zorg afdeling, dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en dat zicht op uitzetting naar Oezbekistan binnen een redelijke termijn ontbreekt, onvoldoende om het verzoek van eiser op zitting gehoord te worden in te willigen.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Oezbekistan ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat hij nog steeds niet is gepresenteerd aan de Oezbeekse autoriteiten.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Aan de Oezbeekse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een laissez-passer (lp) in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Het feit dat eiser nog niet is gepresenteerd bij de Oezbeekse autoriteiten, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat er geen zicht meer bestaat op uitzetting naar Oezbekistan binnen een redelijke termijn. Daarnaast is niet gebleken dat de Oezbeekse autoriteiten de lp-aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
4. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Oezbekistan. Daartoe voert eiser aan dat hij - als kwetsbaar persoon - op de extra zorg afdeling is geplaatst, wat maakt dat de inbewaringstelling zo kort mogelijk moet duren. Daarnaast verleent eiser alle medewerking aan zijn uitzetting maar verricht de minister - naast de standaard terugkeeractiviteiten - geen extra inspanningen om de uitzetting te effectueren.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 januari 2025 volgt dat de minister, naar aanleiding van dit gesprek, extra aandacht voor het dossier van eiser heeft gevraagd bij de landverantwoordelijke. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage van 7 januari 2025 dat de minister sinds het sluiten van het vorige onderzoek vertrekgesprekken heeft gehouden met eiser op 13 november 2024 en 11 december 2024. Ook heeft de minister op 14 november 2024, 5 december 2024 en 24 december 2024 de Oezbeekse autoriteiten schriftelijk gerappelleerd ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Dit is voldoende voor de conclusie dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Tot slot volgt de rechtbank eiser niet in zijn stellingname dat hij alle medewerking verleent aan zijn uitzetting. Hoewel uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 januari 2025 niet blijkt dat eiser zich verzet tegen zijn uitzetting, blijkt ook niet dat hij inspanningen verricht om zijn uitzetting te bespoedigen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19097.
2.Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.