ECLI:NL:RBDHA:2025:10211

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
NL 25.718
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:2 AwbVerordening (EG) nr. 810/2009Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging visumafwijzing wegens schending hoorplicht

Eiseres, een Egyptische vrouw geboren in 1954, vroeg op 27 juli 2023 een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek op 23 augustus 2023 af en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 11 december 2024. Eiseres stelde dat zij weduwe is en een sterke sociale en economische binding met Egypte heeft, maar verweerder betwijfelde dit en vond dat zij onvoldoende bewijs had geleverd.

Tijdens de bezwaarprocedure stuurde verweerder een vragenlijst toe die eiseres niet tijdig retourneerde, waardoor verweerder de informatie niet meenam in zijn besluit. Eiseres betoogde dat de vragenlijst weliswaar laat, maar toch binnen de bezwaarprocedure was ingediend en dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting hield om onduidelijkheden te bespreken.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de vragenlijst buiten beschouwing te laten en onterecht af te zien van een hoorzitting, terwijl de informatie in de vragenlijst relevant was voor het oordeel. Hierdoor is het besluit in strijd met de Awb genomen en dient verweerder een nieuw besluit te nemen na het horen van eiseres. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege schending van de hoorplicht en onzorgvuldige besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.718

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 11 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld te Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder was ter zitting aanwezig [referente] .

Overwegingen

1. Van de indiener van een beroepschrift bij de bestuursrechter wordt griffierecht
geheven. Eiseres heeft het verzoek gedaan om van de betaling hiervan te worden vrijgesteld.
Eerder heeft de rechtbank dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat eiseres naar
voren heeft gebracht over haar inkomen, en gelet op het door haar ondertekende formulier,
ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Van eiseres zal dan ook
geen griffierecht worden geheven.
2. Eiseres is geboren op [datum] 1954 en heeft de Egyptische nationaliteit. Zij heeft op 27 juli 2023 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om [referente] te kunnen bezoeken.
3. Verweerder heeft de afwijzing van de visumaanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, onder a, aanhef en onder ii, en onder b, van de Visumcode. [1] Eiseres heeft het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en er bestaat redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van [plaats] vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum te verlaten. In dat kader heeft verweerder overwogen dat eiseres de gestelde relatie tussen haar en referente niet heeft aangetoond. Bovendien heeft eiseres volgens verweerder geen sterke sociale en economische binding met Egypte waardoor sprake is van vestigingsgevaar. Eiseres heeft bij de aanvraag gesteld weduwe te zijn terwijl in bezwaar wordt gesteld dat eiseres een echtgenoot heeft. Daarmee heeft eiseres niet eenduidig verklaard over de gezinssamenstelling, noch heeft zij deze aangetoond. Gelet hierop kan niet zonder meer worden aangenomen dat sprake is van een sociale band met Egypte, voor wat betreft een eigen gezin waarvoor eiseres de verantwoordelijkheid draagt. Evenmin is gebleken dat eiseres de zorg heeft voor directe familieleden of dat sprake is van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen in Egypte. Verder heeft eiseres gesteld werkloos te zijn en is niet gebleken dan wel aannemelijk gemaakt dat zij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt om zelfstandig in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Voor zover eiseres heeft gesteld over een eigen woning te beschikken in Egypte, leidt dit niet tot de conclusie dat een tijdige terugkeer naar Egypte gewaarborgd geacht moet worden, aangezien onroerende eigendommen ook op afstand kunnen worden beheerd, verhuurd of verkocht en derhalve niet de fysieke (en tijdige) aanwezigheid van eiseres in het land van herkomst verlangd. Aan eiseres is op 19 september 2023 de ‘vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Hiermee is haar de gelegenheid geboden om een nadere toelichting te geven op de achtergronden van de visumaanvraag en haar persoonlijke omstandigheden. De vragenlijst is niet geretourneerd en daarom is er niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om een nadere toelichting te geven op de voornoemde punten. Het niet retourneren van de vragenlijst komt voor rekening en risico van eiseres. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de vragenlijst weliswaar toch is geretourneerd, maar niet binnen de daarvoor gestelde termijn en dus terecht buiten beschouwing is gelaten. Verder heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiseres op haar bezwaren te horen nu er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit zouden leiden. Tot slot heeft verweerder overwogen dat een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM [2] niet kan slagen, omdat dit artikel niet van toepassing is op een aanvraag voor een visum kort verblijf.
4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat in de gronden van bezwaar van 7 februari 2024 door haar is aangekondigd dat de vragenlijst zou worden ingevuld en geretourneerd, hetgeen ook op 13 februari 2024 is gebeurd. Door hiervan geen kennis te nemen, terwijl de vragenlijst essentiële informatie bevat over de sociale en economische binding van eiseres met Egypte, moet het bestreden besluit reeds om die reden worden vernietigd, nu het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Verder is het doel van het bezoek helder; familiebezoek aan haar dochter en kleinkind. Eiseres is al jarenlang weduwe daar haar echtgenoot in de jaren negentig is overleden. Ook is sprake van een stevige sociale binding met Egypte, nu zij in een groot eigen huis woont, waarin ook haar kinderen en hun gezinnen woonachtig zijn. Voorts is de beslissing om af te zien van een hoorzitting op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, [3] niet gerechtvaardigd. Het bezwaar is niet kennelijk ongegrond. Eiseres had door middel van een hoorzitting de gelegenheid moeten krijgen om eventuele onduidelijkheden verder toe te lichten. Eiseres beroept zich hiervoor op de uitspraak van de Afdeling [4] van 6 juli 2022. [5] Tot slot heeft eiseres gesteld dat haar wens om haar dochter en kleinkind in Nederland te bezoeken een fundamenteel recht is onder artikel 8 van Pro het EVRM. Door de visumaanvraag af te wijzen zonder voldoende grondslag, worden de gezinsbanden onredelijk beperkt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
De Afdeling heeft op 6 juli 2022 een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Verder volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022 dat terughoudend moet worden omgegaan met uitzonderingen op de hoorplicht. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
6. Anders dan verweerder stelt, is de vragenlijst op 18 januari 2024 en niet op 19 september 2023 aan eiseres toegezonden, met het verzoek deze binnen drie weken in te vullen en te retourneren. Deze vragenlijst is uiteindelijk op 13 februari 2024 door verweerder ontvangen, ongeveer een week na het verstrijken van de gestelde termijn. Verweerder heeft vervolgens op 11 december 2024 op het bezwaar beslist. Daarmee heeft verweerder ruim één jaar en twee maanden de tijd genomen om op het bezwaar te beslissen, terwijl de ingediende vragenlijst op dat moment al tien maanden in het bezit was van verweerder. De bezwaarfase betreft een volledige heroverweging van het primaire besluit, waarbij verweerder in beginsel is gehouden alle beschikbare informatie bij zijn beslissing te betrekken. Van een reden om hiervan in dit geval af te wijken, is de rechtbank niet gebleken. Verweerder had dan ook de vragenlijst moeten betrekken in zijn besluitvorming op het bezwaarschrift. Verweerder heeft zulks ook ter zitting erkend en de rechtbank gevraagd om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Weliswaar is het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen, maar dat laat onverlet dat de in de vragenlijst verstrekte informatie niet afdoet aan het bestreden besluit.
7. De rechtbank kan verweerder niet volgen in dit standpunt. Bij de door eiseres ingediende vragenlijst is een geboorteakte van referente gevoegd, waaruit volgens eiseres blijkt dat zij de moeder van referente is. Hiermee zou de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referente, en daarmee het doel van de visumaanvraag, zijn aangetoond. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de situatie omtrent de echtgenoot van eiseres onduidelijk is gebleven, kan het horen in bezwaar uitkomst bieden om duidelijkheid hierover te verkrijgen. Dit geldt tevens voor de in de vragenlijst verstrekte informatie dat eiseres gepensioneerd is, over een groot eigen huis beschikt waarin zij woonachtig is met haar kinderen en kleinkinderen. Gelet hierop had verweerder aanleiding moeten zien om eiseres, eventueel samen met referente dan wel los van elkaar, te horen in de bezwaarfase en kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres, al dan niet samen met referente, in bezwaar. Dit maakt dat de andere beroepsgronden niet meer besproken hoeven te worden.
8. Het beroep van eiseres is gegrond, omdat verweerder ten onrechte de in bezwaar overgelegde vragenlijst niet heeft betrokken in zijn besluitvorming en in de bezwaarfase ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden.
9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiseres en/of referente alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10. In de gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn vastgesteld op € 1814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Omdat eiseres is vrijgesteld van het griffierecht, hoeft er geen griffierecht vergoed te worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met
inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814
(duizend achthonderdveertien euro).
Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.