Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:10215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
NL24.50172
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsaanvraag EU/EER op grond van Chavez-verblijfsrecht wegens ontbreken daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op basis van het Chavez-verblijfsrecht, nadat haar eerdere verblijfsrecht was beëindigd door vertrek uit Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit in bezwaar. Eiseres voerde aan dat zij voor haar kind zorgde en dat de minister ten onrechte geen rekening hield met haar zorg- en opvoedingstaken en de omstandigheden van haar vertrek uit Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht alleen de periode na de terugkeer van eiseres in 2022 heeft betrokken bij de beoordeling, omdat de gezinssituatie sinds haar vertrek was gewijzigd. Uit het dossier bleek dat het kind bij zijn vader woont en dat de vader de dagelijkse zorg en opvoeding verzorgt. De door eiseres overgelegde foto's waren ongedateerd en toonden geen bewijs van daadwerkelijke zorg. De lopende procedure over gezag en zorg bij de kinderrechter was niet relevant voor de feitelijke beoordeling.

Verder stelde de rechtbank vast dat het kind de Europese Unie niet hoeft te verlaten als eiseres geen verblijfsdocument krijgt, omdat het kind bij zijn vader kan blijven. De redenen voor het vertrek van eiseres naar Egypte werden niet betrokken in de belangenafweging, omdat deze niet waren aangetoond en artikel 8 EVRM Pro bescherming biedt aan het huidige familieleven.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, aangezien de uitspraak in het beroep was gedaan en er geen connexiteit meer bestond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag op grond van het Chavez-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.50172 (beroep) en NL24.50173 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez [1] (hierna: Chavez-verblijfsrecht). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres is gehuwd geweest met een Nederlandse man. Samen hebben zij een kind met de Nederlandse nationaliteit, [referent] (hierna: referent), geboren op 13 januari 2013. Eiseres had tot 3 december 2020 een Chavez-verblijfsrecht. Zij is in juni 2020 naar Egypte vertrokken. Op 17 november 2022 is eiseres teruggekeerd naar Nederland en op 17 augustus 2023 heeft zij de onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing in bezwaar gehandhaafd, omdat niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en ook niet dat referent de Europese Unie moet verlaten als eiseres geen verblijf wordt toegestaan.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet bij het besluit heeft betrokken dat zij voor referent heeft gezorgd tot aan haar vertrek uit Nederland in juni 2020. Daarnaast is eiseres sinds haar terugkeer in Nederland in 2022 zeer relevant in het leven van referent. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een aantal foto’s van haar en referent overgelegd. Verder had verweerder de eindbeschikking van de kinderrechter ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moeten afwachten. Ten aanzien van artikel 8 van Pro het EVRM [2] heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet bij de afweging heeft betrokken dat zij Nederland in 2020 gedwongen heeft verlaten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Chavez-aanvraag
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gekeken naar de periode vanaf de terugkeer van eiseres in 2022 tot heden. Nog afgezien van het feit dat eiseres een Chavez-verblijfsrecht had tot zij uit Nederland vertrok en deze periode dus reeds is beoordeeld, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de gezinssituatie na het vertrek van eiseres dusdanig is gewijzigd.
5. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht. [3] Daarbij is van belang dat referent bij zijn vader woont en zijn vader de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. De foto’s die eiseres heeft overgelegd zijn ongedateerd en bovendien blijkt daar niet uit dat zij dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. De rechtbank begrijpt uit de dossierstukken dat de omgang met referent en het ouderlijk gezag over hem thans onderwerp zijn van een procedure bij de kinderrechter. Verweerder heeft echter niet op de uitkomst van dat geschil hoeven wachten. Het gaat bij de beoordeling immers om de feitelijke situatie - of eiseres op dit moment daadwerkelijk voor referent zorgt – ongeacht of die situatie rechtens juist is. Dat eiseres en de vader van referent mogelijk richting co-ouderschap zullen gaan, heeft verweerder eveneens niet hoeven te betrekken bij de beoordeling.
6. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat referent de Europese Unie niet hoeft te verlaten als eiseres het gevraagde verblijfsdocument niet krijgt. [4] Redengevend daarvoor is dat, zoals hiervoor is overwogen, eiseres geen dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. Bovendien is referent voor zijn huisvesting evenmin afhankelijk van eiseres. Referent kan hier te lande bij zijn vader blijven.
Artikel 8 EVRM Pro
7. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de gestelde redenen van de terugkeer van eiseres naar Egypte niet heeft betrokken bij de belangenafweging. Ten eerste heeft eiseres niet aangetoond dat er sprake was van een terugkeer om medische redenen. Daarnaast is evenmin duidelijk hoe verweerder deze gestelde omstandigheid had moeten betrekken bij de belangenafweging of welk gewicht eraan toegekend had moeten worden. Bij artikel 8 van Pro het EVRM gaat het immers om bescherming van het familieleven zoals dat thans wordt uitgeoefend.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
2.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.Paragraaf B10/2.5. onder c, Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
4.Paragraaf B10/2.5. onder d, Vc.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.