ECLI:NL:RBDHA:2025:10223
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak woordvoerder Tweede Kamer van lekken vertrouwelijke informatie
De verdachte, werkzaam als woordvoerder van de voorzitter van de Tweede Kamer, werd verdacht van het lekken van vertrouwelijke informatie over het besluit van het Presidium tot een onderzoek naar een voormalig Kamervoorzitter. Het lek werd openbaar gemaakt door journalisten van NRC op 28 september 2022. Na een uitgebreid onderzoek door de rijksrecherche, waarbij meerdere personen werden gehoord en telefoon- en mailverkeer werd onderzocht, kwam de verdachte in beeld vanwege haar aanwezigheid bij een 'scenario-gesprek' waarin het lekken aan de media werd besproken.
De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat het Protocol inzake behandeling van aangiften tegen Kamerleden niet was gevolgd. De rechtbank oordeelde echter dat het Protocol niet van toepassing was omdat er geen nadrukkelijk vermoeden bestond dat een Kamerlid het lek had veroorzaakt. Het openbaar ministerie was dus ontvankelijk.
De rechtbank vond dat de belastende omstandigheden onvoldoende waren om wettig en overtuigend bewijs te vormen voor de betrokkenheid van de verdachte bij het lekken. Het onderzoek kende beperkingen, zoals het niet horen van alle aanwezigen bij het Presidium en het ontbreken van concrete aanwijzingen over de inhoud van telefoongesprekken. Ook was het gebruikelijk dat vertrouwelijke informatie binnen de organisatie vaak lekte. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij.
De benadeelde partij, de voormalig Kamervoorzitter, werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging van de verdachte, begroot op nihil.
Uitkomst: De verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het lekken van vertrouwelijke informatie.