ECLI:NL:RBDHA:2025:10229

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
12 juni 2025
Zaaknummer
NL24.19713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 20 VWEUVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag EU-verblijfsdocument op grond van arrest Chávez-Vilchez bevestigd

Eiser diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op het arrest Chávez-Vilchez, met als doel verblijf bij zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet in Nederland verbleef maar in Frankrijk, waar hij een geldige verblijfsvergunning had tot 2 december 2024.

Eiser stelde dat hij inmiddels in Nederland woonde en dat zijn Franse verblijfsvergunning niet werd verlengd, waardoor hij en zijn dochter de Europese Unie zouden moeten verlaten, wat volgens hem in strijd was met artikel 20 VWEU Pro. De rechtbank stelde vast dat het primaire bezwaar van de minister dat eiser in het buitenland verbleef, was komen te vervallen. Het geschil richtte zich op de vraag of de dochter gedwongen zou worden de EU te verlaten.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat de dochter niet gedwongen wordt de EU te verlaten, omdat eiser op het moment van het bestreden besluit nog een geldig Frans verblijfsrecht had. De stelling van eiser dat de vergunning niet zou worden verlengd, werd niet meegenomen vanwege de ex-tunc beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/19713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. [1]
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening [2] , op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 [3] , waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft op 14 augustus 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [4] en het arrest Chávez-Vilchez. [5] Eiser beoogt verblijf bij zijn minderjarige dochter die de Nederlandse nationaliteit bezit.
3.1.
Het beleid van de minister over de uitvoering van het arrest Chávez-Vilchez was ten tijde van het bestreden besluit neergelegd in paragaaf B10/2.2 van de Vc 2000. [6] Uit dat beleid volgt dat aan vier voorwaarden moet worden voldaan voor een geslaagd beroep op dat arrest en om in aanmerking te kunnen komen voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Niet in geschil is dat eiser aan de voorwaarden a en b voldoet. In het bestreden besluit is primair tegengeworpen dat eiser niet in Nederland verblijft en in Frankrijk woont. Een aanvraag voor een EU-verblijfsdocument op grond van Chàvez-Vilchez kan niet worden ingewilligd zolang eiser in het buitenland verblijft. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat ook wanneer eiser in Nederland verblijft hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De minister wijst erop dat eiser over een Frans verblijfsrecht beschikt dat geldig is tot 2 december 2024. Daarom wordt niet voldaan aan voorwaarde d. De dochter van eiser zal namelijk niet gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.
Strijd met artikel 20 VWEU Pro?
4. Eiser stelt dat hij op dit moment bij zijn dochter in Nederland woont. Ook stelt hij dat zijn Franse verblijfsvergunning niet langer geldig is, omdat hij niet langer in Frankrijk woonachtig is en dat de vergunning niet wordt verlengd. Dit betekent volgens eiser dat op het moment dat hij geen verblijfsrecht krijgt in Nederland, hij de Europese Unie zal moeten verlaten en dat ook zijn dochter de Europese Unie zal moeten verlaten. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 20 VWEU Pro. Als onderdaan van de Europese Unie heeft zij het recht in de Europese Unie op te groeien, aldus eisers gemachtigde.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het verweerschrift volgt dat niet langer wordt tegengeworpen dat de aanvraag van eiser niet kan worden ingewilligd als eiser in het buitenland verblijft. De rechtbank begrijpt dat de minister daarom haar primaire standpunt uit het bestreden besluit laat vallen. De beroepsgrond die daarop ziet hoeft dan ook niet besproken te worden. Daarmee verschillen partijen alleen nog van mening over de vraag of de dochter van eiser gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan hem een verblijfsrecht wordt geweigerd.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat dit niet het geval is. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning voor Frankrijk op grond van het uitoefenen van privé- en gezinsleven. Die vergunning was geldig tot 2 december 2024. Op het moment van het bestreden besluit, 7 november 2024, was eiser dus nog in het bezit van een geldig Frans verblijfsrecht. De stelling van eiser in beroep dat zijn verblijfsvergunning niet wordt verlengd neemt de rechtbank niet mee vanwege de ex-tunc beoordeling van het bestreden besluit. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van de situatie zoals die was ten tijde van bestreden besluit en op dat moment had eiser een geldig Frans verblijfsrecht. Het staat eiser uiteraard vrij een nieuwe aanvraag te doen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, op 12 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AWB 24/24714.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
6.Vreemdelingencirculaire 2000; nu paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000