ECLI:NL:RBDHA:2025:10229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU-verblijfsdocument op grond van arrest Chávez-Vilchez bevestigd
Eiser diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op het arrest Chávez-Vilchez, met als doel verblijf bij zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat eiser niet in Nederland verbleef maar in Frankrijk, waar hij een geldige verblijfsvergunning had tot 2 december 2024.
Eiser stelde dat hij inmiddels in Nederland woonde en dat zijn Franse verblijfsvergunning niet werd verlengd, waardoor hij en zijn dochter de Europese Unie zouden moeten verlaten, wat volgens hem in strijd was met artikel 20 VWEU Pro. De rechtbank stelde vast dat het primaire bezwaar van de minister dat eiser in het buitenland verbleef, was komen te vervallen. Het geschil richtte zich op de vraag of de dochter gedwongen zou worden de EU te verlaten.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat de dochter niet gedwongen wordt de EU te verlaten, omdat eiser op het moment van het bestreden besluit nog een geldig Frans verblijfsrecht had. De stelling van eiser dat de vergunning niet zou worden verlengd, werd niet meegenomen vanwege de ex-tunc beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU-verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.