ECLI:NL:RBDHA:2025:10241
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf familie- en gezinsleden
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis en een mvv voor verblijf met als doel 'familie en gezin', gebaseerd op artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, vermeerderd met een verlenging van drie maanden, heeft beslist. Eiser heeft de minister op 6 december 2024 in gebreke gesteld en daarna tijdig beroep ingesteld.
De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet beslissen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. De reeds verbeurde bestuurlijke dwangsom wordt vastgesteld op €1.442 wegens 42 dagen overschrijding.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€453,50) en het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.B. Thépass op 19 mei 2025 te Utrecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen, met dwangsommen bij overschrijding.