ECLI:NL:RBDHA:2025:10242
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheidsverdeling Duitsland
Verzoeker, een Nigeriaanse staatsburger, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, mede namens haar minderjarige kinderen. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling op grond van het Dublinverdrag, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Tijdens de zitting op 20 mei 2025 verschenen verzoeker en haar gemachtigde niet, terwijl de gemachtigde van de minister wel aanwezig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat gezien de uitspraak in een samenhangende zaak (NL25.11760) een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder toekenning van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het niet-in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen.