ECLI:NL:RBDHA:2025:10306

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL24.44247
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 6.5b, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000Richtlijn 2008/115/EGRichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen inreisverbod en weigering verblijfsvergunning vanwege onvoldoende familieleven

Eiseres, met de nationaliteit van Bosnië-Herzegovina, kreeg in 2019 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van vijf jaar wegens meerdere diefstallen. Dit besluit is onherroepelijk vastgesteld. Na uitlevering aan Oostenrijk en uitzetting naar Bosnië, wijzigde zij haar naam en reisde eind 2020 weer naar Nederland.

In 2023 vroeg zij een verblijfsvergunning aan als familie- of gezinslid bij haar in Nederland verblijvende zoon en partner. Deze aanvraag werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en het inreisverbod. Haar bezwaar tegen het niet opheffen van het inreisverbod werd eveneens ongegrond verklaard.

Eiseres voerde aan dat zij als gemeenschapsonderdaan moet worden beschouwd en dat onvoldoende rekening is gehouden met haar gezinsleven onder artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, dat het familieleven onvoldoende zwaarwegend is tegen het algemeen belang van Nederland, en dat het recht op effectieve rechtsbescherming niet is geschonden.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft, waarmee het inreisverbod niet wordt opgeheven en de verblijfsvergunning niet wordt toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44247

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Inleiding

In het besluit van 16 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het niet opheffen van haar inreisverbod en het niet verlenen van een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op een zitting behandeld in Breda. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Ook was aanwezig [de echtgenoot], de echtgenoot van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [datum 1] 1998 en heeft de nationaliteit van Bosnië-Herzegovina.
2. In het besluit van 4 november 2019 is tegen eiseres een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van vijf jaren uitgevaardigd, omdat zij zich in Nederland schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen. Het daartegen door eiseres ingestelde beroep is ongegrond verklaard in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:5664). Het daartegen door eiseres ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 april 2021 (zaaknummer 202004735/1/V3, niet gepubliceerd). Het besluit van 4 november 2019 staat daarom in rechte vast.
3. Voordat eiseres door de Nederlandse autoriteiten kon worden uitgezet, hebben de Oostenrijkse autoriteiten het verzoek gedaan om eiseres over te leveren. Overlevering is het overdragen van iemand naar een ander land binnen de Europese Unie met het oog op vervolging of het uitvoeren van een straf. Op 31 januari 2020 is eiseres overgeleverd aan Oostenrijk. Op 16 juni 2020 is zij door de Oostenrijkse autoriteiten uitgezet naar Bosnië. Vervolgens heeft eiseres in Bosnië haar naam officieel laten wijzigen (voorheen heette eiseres [naam 1]) en op haar nieuwe naam een paspoort aangevraagd en verkregen. Daarmee is zij eind 2020 weer naar Nederland gereisd.
4. Op 25 april 2023 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar zoon [de zoon], die op [datum 2] 2022 is geboren in [plaats]. Ook de partner van eiseres, [de echtgenoot], verblijft in Nederland. Eiseres stelt dat zij hem sinds 2017 kent en dat zij op 5 juni 2017 traditioneel met hem gehuwd is. Hier zijn echter geen bewijzen van.
5. In het besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv, dit is een soort inreisvisum). Daarnaast heeft verweerder in dit besluit overwogen dat een afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met het recht op familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6. Eiseres heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, waarbij zij heeft verzocht om haar inreisverbod op te heffen. Op 4 maart 2024 is in [plaats] het tweede kind van eiseres en [de echtgenoot] geboren: [naam 2]. In het besluit van 19 april 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en besloten om het inreisverbod niet op te heffen. Op 10 september 2024 heeft verweerder het besluit van 19 april 2024 weer ingetrokken, omdat daarin niet alle relevante aspecten waren beoordeeld. De zitting bij de rechtbank van 26 september 2024 is daarom niet doorgegaan. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en opnieuw besloten om het inreisverbod niet op te heffen. Verweerder heeft in dit besluit overwogen dat eiseres niet gedurende de gehele duur van haar inreisverbod buiten de Europese Unie heeft verbleven en dat zij niet alle benodigde gegevens heeft overgelegd. Omdat zij daardoor niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, kan aan haar ook geen verblijfsvergunning worden verleend. In het primaire besluit is daarom ten onrechte ingegaan op het mvv-vereiste. Verder heeft verweerder overwogen dat er vanwege artikel 8 van Pro het EVRM geen reden is om anders te beslissen, omdat het belang van eiseres om in Nederland bij haar gezin te verblijven niet opweegt tegen het algemeen belang van Nederland.
7. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat zij als gemeenschapsonderdaan (onderdaan van de Europese Unie) moet worden aangemerkt omdat haar partner en kinderen rechtmatig in Nederland verblijven, zodat alleen al daarom het inreisverbod moet worden opgeheven. Daarnaast voert zij aan dat er in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM te weinig gewicht is toegekend aan haar belang om in Nederland bij haar gezin te verblijven. Daarbij speelt volgens eiseres een rol dat het al lang geleden is dat zij strafbare feiten heeft gepleegd, dat zij haar gedrag inmiddels verbeterd heeft en dat het niet mogelijk is om met haar gezin in Bosnië te gaan wonen omdat haar gezinsleden geen binding hebben met Bosnië. Verweerder heeft dan ook volgens eiseres ten onrechte niet doorgetoetst aan de vraag of de verblijfsvergunning als familie- of gezinslid in het primaire besluit terecht is afgewezen. Als het inreisverbod inderdaad niet in stand zou blijven, zou zij voor het verkrijgen van die verblijfsvergunning een nieuwe aanvraag moeten indienen en dit is volgens eiseres in strijd met het recht op effectieve rechtsbescherming.
8. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is. Volgens artikel 1 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) is een gemeenschapsonderdaan een onderdaan van de Europese Unie die gerechtigd is om een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven. Omdat eiseres in strijd met haar inreisverbod Nederland is ingereisd, valt zij niet onder die definitie. Eiseres heeft op 27 maart 2024 aan verweerder verzocht om haar verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan vast te stellen. In het besluit van 22 oktober 2024 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres in Nederland geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan heeft. Hiertegen heeft eiseres geen bezwaar gemaakt. Daarom is het bestreden besluit niet in strijd met het recht op effectieve rechtsbescherming. Daarnaast vindt verweerder dat er in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden.
9. Tijdens de zitting bij de rechtbank op 4 juni 2025 heeft verweerder meegedeeld dat in het bestreden besluit en in het verweerschrift ten onrechte wordt gesteld dat het inreisverbod van eiseres pas na vijf jaar zou kunnen worden opgeheven. Dit moet tweeënhalf jaar zijn. Eiseres heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank gesteld dat zij in Bosnië haar naam heeft laten wijzigen omdat zij werd lastiggevallen door een ex-partner.
De rechtbank oordeelt als volgt.
10. Een inreisverbod is een figuur uit de Europese Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG). Deze richtlijn is alleen van toepassing op onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van de Europese Unie verblijven. Het inreisverbod van eiseres zou dan ook moeten worden opgeheven indien zij niet langer zou kunnen worden aangemerkt als een onderdaan van een derde land. Eiseres heeft echter niet onderbouwd dat een dergelijke situatie zich voordoet. De enkele omstandigheid dat haar partner en twee kinderen rechtmatig verblijf in Nederland hebben, is daarvoor niet voldoende. Hierbij is van belang dat zij blijkens het dossier geen Unierechtelijk verblijfsrecht hebben, maar een verblijfsrecht op humanitaire gronden in het geval van de partner en een verblijfsrecht als familie- en gezinslid bij de vader in het geval van de kinderen. Het is dan ook niet gebleken dat eiseres rechten kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, de Europese richtlijn die de voorwaarden bepaalt voor het verblijf van gemeenschapsonderdanen in andere lidstaten (Richtlijn 2004/38/EG). Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 22 oktober 2024 en dat zij niet voldoet aan de definitie in artikel 1 van Pro de Vw.
11. Niet in geschil is dat eiseres niet gedurende ten minste de helft van de duur van haar inreisverbod (tweeënhalf jaar) ononderbroken buiten Nederland heeft verbleven en dat zij niet alle vereiste gegevens heeft overgelegd, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 voor opheffing van een inreisverbod. Volgens het beleid van verweerder is het desondanks vanwege dringende individuele omstandigheden alsnog mogelijk om een inreisverbod op te heffen, en kunnen dergelijke omstandigheden bestaan in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Dit staat in onderdeel A4/2.5.2, gelezen samen met onderdeel A4/3.7, van de Vreemdelingencirculaire 2000. In artikel 8 van Pro het EVRM is het recht op privé- en gezinsleven vastgelegd. De aanwezigheid van privé- of gezinsleven in de zin van dit artikel betekent niet automatisch dat aan de betrokkene verblijf in Nederland moet worden toegestaan. Dit is alleen het geval als de belangen van de betrokkene bij het uitoefenen van zijn privé- of gezinsleven in Nederland zwaarder wegen dan de algemene belangen van Nederland. Deze algemene belangen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het economisch belang van Nederland of het belang van het beschermen van de openbare orde. Verweerder moet alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging betrekken. De rechtbank moet enigszins terughoudend toetsen of alle belangen evenwichtig zijn afgewogen.
12. Niet in geschil is dat eiseres in Nederland familieleven uitoefent met haar partner en haar twee minderjarige kinderen. Evenmin is in geschil dat eiseres de openbare orde in Nederland heeft geschonden door het plegen van strafbare feiten. In de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Boultif (54273/00, 2 augustus 2001) en Üner (46410/99, 18 oktober 2006) is uiteengezet met welke elementen verweerder in de belangenafweging rekening moet houden bij het beoordelen van openbare ordeaspecten in het kader van gezinsleven. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit ook kenbaar gedaan. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat het plegen van diefstal een ernstig strafbaar feit is, hoewel er nog ernstigere delicten denkbaar zijn. Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat er weliswaar tijd is verstreken sinds het plegen van de misdrijven in 2019, maar dat eiseres daarna nog heeft vastgezeten in Oostenrijk en dat zij in strijd met haar inreisverbod Nederland is ingereisd. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar gedrag in weerwil hiervan is verbeterd. Hoewel eiseres tijdens de zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat zij zich min of meer gedwongen voelde om weer naar Nederland te gaan vanwege haar gezin, moet worden vastgesteld dat zij op dat moment nog geen kinderen had en dat haar partner, zoals ter zitting nogmaals is bevestigd, (tevens) de Bosnische nationaliteit heeft en dus ook naar haar toe had kunnen komen. Gelet hierop heeft verweerder dan ook niet ten onrechte overwogen dat het familieleven voor een groot deel is opgebouwd terwijl eiseres wist dat zij in Nederland geen rechtmatig verblijf had, zodat hier niet snel doorslaggevend gewicht aan kan worden toegekend. Ten slotte heeft eiseres niet onderbouwd waarom het voor haar en haar gezin niet mogelijk zou zijn om een toekomst op te bouwen in Bosnië, en is de stelling dat haar partner daar te vrezen heeft voor zijn oom op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.
13. Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet ten onrechte het inreisverbod van eiseres niet opgeheven wegens strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Hieruit vloeit logisch voort dat verweerder niet kon toekomen aan de vraag of aan eiseres een verblijfsvergunning moet worden verleend. Dit is namelijk niet mogelijk zolang er sprake is van een inreisverbod dat niet kan worden opgeheven. Dit levert geen strijd op met het recht op effectieve rechtsbescherming, aangezien eiseres de mogelijkheid heeft, en ook heeft gebruikt, om het inreisverbod aan te vechten. Dat eiseres een afzonderlijke aanvraag voor een verblijfsvergunning moet indienen als dit zou lukken, is geen aanleiding voor een ander oordeel.
14. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.