ECLI:NL:RBDHA:2025:10307
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 mei 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De minister hief de bewaring op op 3 juni 2025. De rechtbank behandelde het beroep op 10 juni 2025, waarbij eiser niet persoonlijk aanwezig was maar vertegenwoordigd werd.
De kern van het geschil betrof de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding. Eiser stelde dat de minister een lichter middel had moeten toepassen omdat hij op 27 mei 2025 zelfstandig naar Roemenië zou vertrekken, opgehaald door zijn dochter. De minister had dit volgens eiser onvoldoende onderzocht, onder meer omdat hij niet bij het telefoongesprek met de chauffeur aanwezig was en de minister geen contact had gezocht met de dochter.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende gemotiveerd had dat geen minder dwingende maatregel dan bewaring volstond. De verklaring van eiser werd niet bevestigd door de chauffeur. Contact via Facebook Messenger werd terecht niet als betrouwbaar geacht en eiser had geen telefoonnummer van zijn dochter verstrekt. Het ontbreken van eiser bij het telefoongesprek leidde niet tot onzorgvuldig handelen. Bovendien was eiser al sinds 16 april 2025 bekend met zijn vertrekplicht maar had hij hieraan niet voldaan.
De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen schadevergoeding toegekend en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.