Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat in een eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn voor besluitvorming was gesteld die inmiddels is verstreken.
De minister heeft aangegeven dat de aanvraag is toegewezen aan een behandelaar en dat herstel van verzuim is verleend tot 29 april 2025, met een verzoek om een nadere beslistermijn van zestien weken na ontvangst van een reactie. De rechtbank legt echter een beslistermijn van vier weken na 29 april 2025 op, tenzij de minister schriftelijk meedeelt nader onderzoek te verrichten, waarna een termijn van zestien weken geldt.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel tot voortvarende besluitvorming wegneemt. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €250 per dag op voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €37.500. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €453,50 aan eiseres.
De rechtbank benadrukt dat de vaststelling van reeds verbeurde dwangsommen niet tot haar bevoegdheid behoort en verwijst eiseres daarvoor naar de burgerlijke rechter. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.C. van de Mortel op 29 april 2025.