Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid, waarbij de rechtbank vaststelde dat de beslistermijn was overschreden en eiser de minister rechtsgeldig in gebreke had gesteld.
De minister verzocht om aanhouding van het beroep vanwege het FIFO-principe, maar dit werd afgewezen omdat aanhouding de prikkel tot voortvarend beslissen wegneemt. De rechtbank legde een nadere beslistermijn van acht weken op, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast werd een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank stelde tevens een bestuurlijke dwangsom van €1.442 vast wegens eerdere vertraging en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van eiser.
De uitspraak bevestigt het belang van tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken en handhaaft sancties bij niet-naleving, waarbij de minister verplicht wordt binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.