ECLI:NL:RBDHA:2025:10325

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL24.33230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.7 VbArt. 9 VwArt. 8 EVRMArt. 2, tweede lid, aanhef en onder d, Verblijfsrichtlijn 2004/38/EGArt. 3, tweede lid, aanhef en onder a, Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER voor broer wegens onvoldoende bewijs van afhankelijkheid

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende broer van een Belgische referent, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om in Nederland bij zijn broer te verblijven. Eerder aanvragen werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van afhankelijkheid en samenwoning. De rechtbank bevestigt deze afwijzing omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten laste komt van zijn broer, noch dat zij samenwoonden in België of Nederland.

De rechtbank overweegt dat eiser onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd, zoals verklaringen van bevoegde Belgische instanties of bewijs van financiële ondersteuning, en dat eerdere verklaringen onvoldoende objectief zijn onderbouwd. Ook het feit dat eiser gehuwd was, wijst volgens de rechtbank op een eigen huishouding. De aanvraag van de moeder van eiser, die wel werd ingewilligd, betreft een ander feitencomplex.

Verder oordeelt de rechtbank dat de hoorplicht niet is geschonden omdat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om bewijs aan te leveren, maar dit niet heeft gedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij ten laste komt van zijn broer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33230

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, eisers broer [referent] (hierna: referent), de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

De feiten
1. Eiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 5 december 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument waaruit zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. [1]
2. Eiser wil in Nederland verblijven bij referent, die de Belgische nationaliteit heeft. In 2000 is de vader van eiser en referent, die in Nederland woonachtig was, overleden. In 2005 zijn eiser, referent en hun moeder naar Europa vertrokken. Referent heeft op enig moment de Belgische nationaliteit verkregen en hun moeder heeft inmiddels een zelfstandige verblijfsvergunning in Nederland. Referent zorgt sinds 2000 voor eiser. Zij wonen samen in [plaats] en eiser stelt van zijn broer afhankelijk te zijn voor zijn levensonderhoud en de noodzakelijke medische verzorging.
3. Eiser heeft al eerder, in 2017, een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 10 juni 2018 omdat niet is gebleken dat eiser afhankelijk is van referent. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 20 december 2018 kennelijk ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 mei 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, [2] is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in die zaak overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten laste komt van zijn broer of vanwege ernstige gezondheidsredenen verzorging van zijn broer behoeft. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij uitspraak van 13 september 2019 [3] ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De afwijzing van 20 december 2018 staat daarmee in rechte vast.
4. Bij besluit van 18 april 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 5 december 2023 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
5. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder overweegt dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten laste van referent komt als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, onder a, van het Vb. [4] Zo heeft eiser onvoldoende aangetoond dat hij met referent in België en Nederland heeft samengewoond. Daarnaast is eiser gehuwd geweest en dat impliceert volgens verweerder dat eiser een eigen huishouding heeft gevoerd. Verweerder acht verder niet aannemelijk dat eiser, indien hij terug naar Marokko zou moeten, ten laste zou komen van referent omdat eiser zelf niet in zijn basisbehoeften zou kunnen voorzien. Niet gebleken is dat het voor eiser onmogelijk is om een bestaan op te bouwen in Marokko. Eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn sociale en economische situatie indien hij weer in Marokko zou moeten verblijven. Ook is niet gebleken dat eisers medische situatie aan terugkeer naar Marokko in de weg staat. Verweerder ziet verder geen reden om eisers aanvraag in te willigen omdat de aanvraag van zijn moeder wél is ingewilligd. Tot slot ziet verweerder geen reden om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [5]
6. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Eiser verzoekt allereerst om de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen als gronden van beroep. Eiser voert verder aan dat verweerder niet heeft betwist dat zijn vader is overleden in 2000. Eiser was op dat moment twaalf jaar en sindsdien zorgt referent voor hem. Zijn moeder heeft dezelfde aanvraag ingediend bij referent als eiser en deze aanvraag is wel ingewilligd. Dat betekent volgens eiser dat vast is komen te staan dat zijn moeder ook ten laste was van referent en dat daarmee evident is dat eiser ook ten laste kwam en komt van referent. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat hij niet heeft aangetoond dat hij onafgebroken ten minste een jaar een geldbedrag heeft ontvangen van referent. Verder heeft eiser wel degelijk ingewoond bij referent. Het huwelijk van eiser was slechts een juridische verbintenis en het huwelijk is nooit geconsumeerd. Eiser legt ter onderbouwing een document over van de rechtbank in Eerste Aanleg te Al Hoceima in Marokko van 8 februari 2018. Eiser voert verder aan dat hij niet terug kan naar Marokko. Hij heeft daar geen sociaal vangnet en geen toegang tot medische zorg. Tot slot is eiser ten onrechte niet gehoord.
7. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden van beroep verwezen naar een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 10 april 2025 [6] en stelt dat hier een vergelijkbare rechtsvraag voorligt.
8. Bij verweerschrift van 16 mei 2025 heeft verweerder op de beroepsgronden van eiser gereageerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht is afgezien van afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw. Verweerder stelt zich op het standpunt dat (voor zover het arrest ook van toepassing is op andere familieleden dan de rechtstreeks bloedverwant in opgaande lijn van de Unieburger) in het gunstigste geval België voor eiser als land van oorsprong kan worden gezien als bedoeld in het arrest. In het geval van eiser staat al in rechte vast dat geen sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent voordat referent vanuit België naar Nederland verhuisde. Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 mei 2019. In het besluit is verder beoordeeld of eiser ten tijde van de aanvraag ten laste kwam van referent. Daarbij is uitgegaan van de fictieve situatie of eiser de materiele ondersteuning nodig heeft van referent in het land van herkomst. Ook daarvan is niet gebleken volgens verweerder.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griffierecht
9. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door eiser overgelegde formulier heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
Toetsingskader
10. Op grond van artikel 8.7, derde lid, van het Vb kunnen andere familieleden dan bedoeld in het tweede lid zich bij een gemeenschapsonderdaan voegen die in Nederland verblijft in het geval zij in het land van herkomst ten laste zijn van of inwonen bij die vreemdeling, of vanwege ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door die vreemdeling strikt behoeven.
11. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak van het Hof van 10 april 2025 volgt dat een burger van een derde land die familielid is van een Unieburger, beschikt over een afgeleid verblijfsrecht van meer dan drie maanden in de gastlidstaat indien hij bewijst dat hij ten laste was van die Unieburger in zijn land van oorsprong op de datum waarop hij dat land verliet, en dat hij ook ten laste was van die Unieburger op de datum waarop hij zijn aanvraag om een verblijfskaart heeft ingediend. Dat verblijfsrecht kan niet worden geweigerd omdat het familielid op de datum van die aanvraag op grond van nationale wetgeving onregelmatig verbleef op het grondgebied van die lidstaat. In dit arrest gaat het over een rechtstreekse bloedverwant in de opgaande lijn, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Richtlijn 2004/38/EG (hierna: verblijfsrichtlijn). Eiser valt als bloedverwant van zijn broer niet onder de definitie van ‘familielid’ als bedoeld in artikel 2. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de verblijfsrichtlijn acht de rechtbank dit arrest echter van overeenkomstige toepassing op andere familieleden, zoals eiser. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook beoordelen in het licht van deze uitspraak.
Inwonen bij
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij bij referent heeft ingewoond in België in de zin van artikel 8.7, derde lid, aanhef en onder a, van het Vb en evenmin dat eiser en referent altijd (waaronder in Nederland) hebben samengewoond. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 23 mei 2019 volgt allereerst dat in rechte vaststaat dat eiser niet heeft aangetoond dat hij bij referent in België heeft ingewoond en evenmin dat zij altijd hebben samengewoond. Verweerder heeft bij dat oordeel kunnen blijven. Eiser heeft tot op heden geen verklaring overgelegd van de bevoegde Belgische instantie als bedoeld in artikel 8.12, derde lid, aanhef en onder e, van het Vb. Verder heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser in zijn eerdere aanvraag heeft gesteld dat referent vanuit Western Union geld naar eiser in Nederland stuurde. Verweerder merkt terecht op dat in het geval eiser en referent in België of Nederland samenwoonden dergelijke financiële transacties niet nodig zouden zijn geweest. Uit de door eiser overgelegde verklaring van [kliniek] van 14 juni 2024 volgt verder dat eiser geregistreerd staat op het adres: [adres], terwijl eiser heeft gesteld al sinds 2015 in Nederland te verblijven. Verder heeft verweerder kunnen betrekken dat referent zich op 25 augustus 2015 voor het eerst in de Basisregistratie Personen (BRP) in Nederland heeft ingeschreven, terwijl eiser ruim twee jaar later op 7 december 2017 zich in Nederland heeft ingeschreven op het adres van referent. Verder stond eiser van 24 september 2019 tot 27 december 2023 in Nederland ingeschreven met de registratie ‘niet ingezetene’, zodat ook hieruit niet blijkt dat eiser in België dan wel in Nederland altijd op hetzelfde adres als referent heeft gewoond. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser met de bankafschriften over de periode 2018-2023, waaruit blijkt dat hij in Nederland betalingen heeft gedaan, evenmin heeft aangetoond dat eiser altijd met referent heeft samengewoond. Tot slot heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser van 1 november 2011 tot en met 27 december 2012 gehuwd is geweest met Khadija Boutarbouch. Verweerder heeft niet hoeven volgen dat dat huwelijk enkel juridisch van aard was. De door eiser overgelegde vertaalde echtscheidingsakte van de rechtbank van Eerste Aanleg te Al Hoceima van 8 februari 2018 waaruit volgt dat het huwelijk niet is geconsumeerd, maakt dat niet anders.
13. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat het enkele gegeven dat de aanvraag toetsing EU-recht die eisers moeder heeft ingediend met dezelfde referent, wel is ingewilligd nog niet maakt dat eiser voldoet aan de voorwaarden die gelden bij de toetsing van deze aanvraag. Uit het verweerschrift volgt bovendien dat uit de stukken die eisers moeder bij de aanvraag heeft overgelegd blijkt dat eisers moeder en referent sinds 2010 op hetzelfde adres waren ingeschreven en dat daaruit voldoende de financiële afhankelijkheid tussen eisers moeder en referent bleek. In deze bewijsstukken is eiser volgens verweerder niet genoemd. Eiser heeft dat niet bestreden. Er is daarom sprake van een ander feitencomplex dan in het geval van eiser.
Ten laste komen van
14.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser ten laste komt van referent. [7] Verweerder heeft in dat verband kunnen overwegen dat eiser onvoldoende bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser in Marokko en België materieel is ondersteund door referent. Eisers eigen verklaring van 6 juni 2024 waarin staat ‘dat referent verantwoordelijk was voor al eisers financiële uitgaven in Marokko van 2000 tot 2005’, met een stempel van ‘Chef de service pour le president et
par delegation, Commune de Nador’, met een gelegaliseerde handtekening van de behandelend ambtenaar, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden. Dit document betreft namelijk een eigen verklaring van eiser die niet met objectieve bewijsstukken is onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder niet meer waarde aan deze verklaring hoeven hechten vanwege het stempel en de handtekening daarop, omdat verweerder terecht overweegt dat onduidelijk is op basis van welke brondocumenten de handtekening en stempel zijn gezet. Eiser heeft verder geen andere bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat referent eiser ten minste één jaar onafgebroken financieel heeft ondersteund.
Hoorplicht
15. De rechtbank volgt eiser tot slot niet in zijn betoog dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder heeft in het bestreden besluit gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022 over de hoorplicht. [8] Verweerder heeft vervolgens aan de hand van die uitspraak gewezen op de redenen waarom in dit geval is afgezien van het horen. Zo is eiser meermalen in de gelegenheid gesteld om aanvullende bewijsstukken over de vraag of hij ten laste komt van referent in te dienen. Echter eiser heeft op 4 en 27 juli 2024 tweemaal dezelfde stukken opgestuurd. Onvoldoende is gebleken dat eiser actief inspanningen heeft verricht om voor het bestreden besluit de gewenste informatie in te dienen. Verweerder heeft verder mee kunnen wegen dat eiser eerder een soortgelijke aanvraag heeft ingediend en dat onvoldoende is gebleken dat de feiten en omstandigheden sindsdien zijn veranderd. Verweerder heeft daarom kunnen overwegen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook kunnen afzien van het horen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Hij krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.201904777/1/V3 (niet gepubliceerd).
4.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. In artikel 8 van Pro dit verdrag is het recht op respect voor het familie- en gezinsleven geregeld.
6.ECLI:EU:C:2025:264.
7.Als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb.