ECLI:NL:RBDHA:2025:10329

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2025
Publicatiedatum
13 juni 2025
Zaaknummer
NL25.24034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende persoon, diende op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling, gebaseerd op de Dublinverordening en Eurodac-gegevens die een eerdere asielaanvraag in Duitsland op 4 september 2015 aantonen.

Eiser stelde dat hij tijdens het gehoor op 27 april 2025, dat werd afgenomen door een vrouwelijke gehoormedewerker, niet al zijn bezwaren kon uiten omdat hij bezwaar had tegen de vrouwelijke samenstelling van het gehoor. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn bezwaren wel degelijk heeft geuit tijdens het gehoor en dat hij de mogelijkheid had om aanvullingen en correcties in te dienen, wat niet is gebeurd.

Verder is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is en dat Nederland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij geen aanwijzingen zijn dat de Duitse autoriteiten niet in staat zijn om eiser te helpen. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24034

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 4 september 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 27 april 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. [1] Op 29 april 2025 hebben de Duitse autoriteiten dit verzoek aanvaard. [2]
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij in het gehoor van 27 april 2025 heeft verklaard dat hij niet met een vrouwelijke gehoormedewerker al zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland kan uiten. Het gehoor van 27 april 2025 is echter afgenomen door een vrouwelijke gehoormedewerker. Verweerder heeft ten onrechte geen nieuw of een aanvullend gehoor met eiser afgenomen. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vastgesteld wordt dat niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Het is ook niet in geschil dat verweerder voor Duitsland kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hoewel eiser “ja” heeft geantwoord op de vraag of zijn bezwaren elementen bevatten die hij liever niet in deze samenstelling naar voren wenst te brengen, volgt uit het rapport van het gehoor dat hij vervolgens wel zijn bezwaren tegen een overdracht aan Duitsland heeft geuit bij de vrouwelijke gehoormedewerker. Niet is gebleken dat hij (een deel) van zijn bezwaren niet heeft kunnen uiten. Daar komt bij dat eiser ook in gelegenheid is gesteld om in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze zijn bezwaren aan te vullen. Eiser heeft echter geen correcties en aanvullingen of een zienswijze ingediend. Ook in beroep had hij de mogelijkheid zijn bezwaren nader te concretiseren, maar heeft hij dit niet gedaan.
6. Tot slot wordt overwogen dat eiser zijn eventuele bezwaren ook kan melden bij de Duitse autoriteiten, nu verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Niet is gebleken dat deze autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.
7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 12 juni 2025 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
2.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.