Eiser, een Turkse nationaliteit, diende in april 2022 een asielaanvraag in na eerdere detentie en beschuldigingen wegens vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De minister wees de aanvraag in oktober 2023 af, stellende dat de vervolgingsrisico's onvoldoende aannemelijk waren, mede vanwege een eerdere vrijspraak en het feit dat eiser Turkije legaal kon verlaten.
De rechtbank beoordeelde het beroep op 16 april 2025 en concludeerde dat de minister onvoldoende gemotiveerd had waarom de eerdere strafrechtelijke vervolging niet als relevante vervolging werd gezien. Tevens werd geoordeeld dat de minister selectief omging met landeninformatie en onvoldoende rekening hield met de onduidelijke en willekeurige situatie voor Gülen-aanhangers in Turkije.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk sprake is van geringe indicaties en een reëel risico op hernieuwde vervolging, mede gezien de registratie van ontslagen politieagenten in terreurdatabases. Hierdoor werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.