Art. 3:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Slovenië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier onvolledig was doordat het claimakkoord van de Sloveense autoriteiten ontbrak, wat een schending van de zorgvuldigheidsplicht (art. 3:2 AwbPro) betekent. Echter, eiser heeft alsnog kennis kunnen nemen van het claimakkoord en heeft niet concreet toegelicht hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad, waardoor het zorgvuldigheidsgebrek wordt gepasseerd op grond van art. 6:22 AwbPro.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende had onderbouwd dat Slovenië verantwoordelijk is, mede omdat stukken van een eerdere claimprocedure bij Zwitserland ontbraken. De rechtbank oordeelde dat de minister mag vertrouwen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het dossier voldoende bewijs bevat dat Slovenië de verantwoordelijkheid heeft aanvaard.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en de asielaanvraag mag worden overgedragen aan Slovenië. Omdat het zorgvuldigheidsgebrek niet tot vernietiging leidde, maar wel een beroepsgrond vormde, krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €907 toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18617
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 april 2025 niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, [1] op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een verzoek om terugname gedaan. Slovenië heeft dit verzoek aanvaard.
Ontbreken claimakkoord
5. Eiser wijst erop dat hij pas in beroep kennis heeft kunnen nemen van het claimakkoord van de Sloveense autoriteiten. Hierdoor is hij geschaad in zijn procesbelang.
6. De minister heeft op de zitting erkend dat het claimakkoord ontbrak in het dossier, maar stelt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.
7. De rechtbank is van oordeel dat met het ontbreken van het claimakkoord in het dossier sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, aangezien niet alle op het besluit betrekking hebbende stukken in het dossier aanwezig waren. Dat betekent dat artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden.
8. De rechtbank oordeelt echter dat eiser niet is benadeeld door dit zorgvuldigheidsgebrek, omdat hij alsnog kennis heeft kunnen nemen van het claimakkoord en daarop heeft kunnen reageren. Eiser heeft ook niet toegelicht op wat voor manier hij in zijn belangen zou zijn geschaad door dit gebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om artikel 6:22 vanPro de Awb toe te passen en het zorgvuldigheidsgebrek te passeren.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
9. Eiser voert aan dat hij in verschillende landen is geweest, waaronder Zwitserland. De minister heeft eerst geclaimd bij de Zwitserse autoriteiten, maar de Zwitserse autoriteiten hebben de claim op 7 januari 2025 afgewezen. Volgens de Zwitserse autoriteiten is eiser daar op 29 mei 2024 aangezegd om terug te keren naar Slovenië, maar de onderliggende stukken van deze claimprocedure zitten niet in het digitale dossier. Eiser stelt dat hij op daarom niet kan controleren of en wanneer de Zwitserse autoriteiten de overdrachtstermijn hebben verlengd en of Slovenië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Eiser concludeert daarom dat Nederland het asielverzoek alsnog dient te behandelen en dat de minister in ieder geval een voornemen moet uitbrengen dat onderbouwd is met voorgenoemde stukken.
10. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het dossierstuk, waarin zich zowel het nieuwe claimakkoord als de e-mailcorrespondentie daarover bevinden, kan namelijk worden opgemaakt dat het verzoek van de Nederlandse autoriteiten op 15 januari 2025 is verzonden en dat het akkoord op 15 januari 2025 door de Sloveense autoriteiten is gedagtekend en door de IND [3] is ontvangen. Het staat dan ook buiten twijfel dat de Sloveense autoriteiten op
15 januari 2025 akkoord zijn gegaan met de terugname van eiser. De enkele omstandigheid dat de onderliggende stukken met betrekking tot een eerder akkoord van de Sloveense autoriteiten op een verzoek van de Zwitserse autoriteiten zich niet in het dossier bevinden, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de minister die onderliggende stukken had moeten opvragen en toe had moeten voegen aan het dossier. De minister mag er namelijk op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat de Sloveense autoriteiten de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag in overeenstemming met de Dublinverordening hebben vastgesteld. Eiser heeft niet toegelicht waarom dat in dit geval niet zou kunnen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is, met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb, ongegrond. Dat betekent dat de asielaanvraag van eiser terecht buiten behandeling is gesteld en dat eiser mag worden overgedragen aan Slovenië.
12. Omdat de rechtbank artikel 6:22 vanPro de Awb heeft toegepast, en eiser dus, ondanks het feit dat deze niet tot vernietiging van het bestreden besluit heeft geleid, terecht een beroepsgrond heeft voorgedragen heeft eiser recht op vergoeding van de proceskosten die verband houden met het indienen van het beroepschrift. Eiser noch zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 907,- (1 punt op voor het indienen van een beroepschrift). [4]
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zaaknummer: NL25.18618.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.