Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is op 25 mei 2025 geconfronteerd met een maatregel van bewaring door de minister van Asiel en Migratie, gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is ingesteld vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken.
De rechtbank heeft op 11 juni 2025 de zaak behandeld waarbij eiser verscheen met juridische bijstand. De rechtbank constateerde dat eiser de meeste gronden voor de bewaring niet betwistte, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan vaststelling van identiteit, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn en dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen. De lichte grond dat eiser verdachte zou zijn van een misdrijf werd door verweerder laten vallen. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.