Eiser, een Algerijnse nationaliteithebbende geboren in 2003, is in bewaring gesteld na overdracht vanuit België op basis van de Dublinverordening. Hij betoogde dat de ophouding ten onrechte was gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet omdat zijn identiteit reeds bekend was en dat artikel 50a had moeten gelden.
De rechtbank oordeelde dat eiser ten tijde van de overdracht niet beschikte over identiteitsdocumenten en dat zijn identiteit en verblijfsstatus onduidelijk waren. Verweerder had voldoende gronden om de ophouding op artikel 50, tweede lid, te baseren. De zware gronden voor bewaring, waaronder het niet meewerken aan vaststelling identiteit en eerdere asielaanvragen, werden niet betwist door eiser.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.