Over het verschil tussen het bedrag van € 157,024,51 en het bedrag van
€ 139.813,55, is het volgende op te merken.
Uit de nota van afrekening blijkt dat de woning in [plaats 2] voor € 242.500,- is verkocht. Daarop zijn BTW en diverse gespecificeerde kosten (notariële kosten, makelaarskosten en andere kosten) in mindering gebracht, waardoor € 236.438,96 op de hypothecaire lening is afgelost, zodat een hoofdschuld resteert van € 156.825,91, wat vermeerderd met verschenen dagrente uitkomst op € 157.024.51.
Het bedrag van € 156.825,91 komt nagenoeg overeen met het bedrag, dat overblijft als de verkoopopbrengst wordt afgetrokken van de hypotheekschuld die in de brief van 4 januari 2016 is genoemd (€ 393.284 - 236.438,96 = € 156.845,54).
In de hypotheekakte is vastgelegd dat eiser een levensverzekering heeft afgesloten en dat de daaruit voortvloeiende rechten aan de bank zijn verpand. ING heeft een bedrag aan opgebouwde waarde onder deze polis uitbetaald van € 17.031,99, waarvan opgave is gedaan in de brief van 4 januari 2016. Als dit bedrag in mindering komt op € 156.845,54, resteert een schuld van € 139.813,55.
Anders dan verweerder overweegt, valt het opgeëiste restschuldbedrag dus op basis van de stukken te herleiden en zijn de verschillen tussen genoemde bedragen goed te verklaren.