Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraakse Jezidi geboren in 1988, diende op 6 oktober 2022 een asielaanvraag in. Hij stelde dat hij vanwege zijn etniciteit problemen had ondervonden bij Peshmerga-controleposten en vreest terugkeer vanwege mogelijke gedwongen bekering tot islam of dood door Peshmerga.
Verweerder wees de aanvraag af op grond van het beleid WBV 2024/12, geldend vanaf 1 juli 2024, en achtte de identiteit en nationaliteit geloofwaardig. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel vervolgingsgevaar loopt. Zijn verklaringen waren tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd met documenten. Ook was het ongerijmd dat hij problemen had met de Peshmerga terwijl hij ook voor hen werkte.
Eiser voerde aan dat het eerdere, gunstigere beleid WBV 2022/5 had moeten gelden en dat hij door discriminatie ernstig beperkt zou zijn. De rechtbank oordeelde dat het actuele beleid leidend is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval was. De vrees van eiser werd als onvoldoende zwaarwegend beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.