Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 18 juni 2024 waarin een beslistermijn van twintig weken werd gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn is gesteld die inmiddels is verstreken. De minister heeft niet binnen die termijn een besluit genomen en heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer een besluit wordt genomen.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op na verzending van deze uitspraak. Voor elke dag overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 250,- opgelegd, met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en proceskosten van € 453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M. Pattynama, en is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2025.