ECLI:NL:RBDHA:2025:10564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
17 juni 2025
Zaaknummer
C/09/685007/KG RK 25-653
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in belastingzaak wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. M.J. Pelinck, rechter in de rechtbank Den Haag, in belastingzaken betreffende vermeende ongelijke behandeling bij vermogensbelasting. Verzoeker stelde dat de rechter het dossier niet kende en vooringenomen was, omdat hij het geschil verkeerd zou hebben gedefinieerd en onvoldoende dossierkennis zou hebben getoond.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld op zitting en de schriftelijke stukken bestudeerd. De rechter had in algemene bewoordingen de kern van het geschil benoemd en verzoeker gelegenheid gegeven om te reageren. De kamer oordeelde dat dit geen aanwijzing was voor vooringenomenheid of gebrek aan dossierkennis.

De wrakingskamer benadrukte het uitgangspunt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden tot wraking kunnen leiden. Omdat die omstandigheden ontbraken, werd het wrakingsverzoek afgewezen.

De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/27
zaak- /rekestnummer: C/09/685007 / KG RK 25-653
Beslissing van 16 juni 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M.J. Pelinck,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 26 mei 2025;
- het e-mailbericht van verzoeker van 28 mei 2025.
1.2.
Op 2 juni 2025 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker;
- de rechter;
- namens de wederpartij in de hoofdzaak mr. [naam 1] , mr. [naam 2] en mr. [naam 3] , als toehoorders.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaken met de nummers SGR 24/932 en 24/935 tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal waarin het mondelinge wrakingsverzoek is opgenomen het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“Ik heb er wel problemen mee dat ik wel moet betalen en sommige collega’s van mij niet. (…) U begrijpt het niet. (…) Het gaat erom wat het wettige en overtuigende bewijs is op grond waarvan de positieve discriminatie door het niet sturen van een belastingaangifte naar mijn collega’s en niet tot nihil verklaren van mijn inkomsten uit sparen en beleggen. Waar is dat bewijs? Dat heb ik duidelijk naar voren gebracht in mijn gronden. U weet niet waar het over gaat. Ik zou er geen probleem mee hebben dat ik wel inkomstenbelasting betaal en mijn collega’s niet als daar een goede reden voor zou zijn. Het is positieve discriminatie mits daar een goede reden voor is. Die reden is nog niet boven tafel. Die heeft u niet benoemd. Ik wil weten waarom het gerechtvaardigd is dus u snapt mijn geschil niet. (…) Ik wraak u omdat u het geschil verkeerd heeft gedefinieerd. (…) Meneer Pelinck heeft gezegd dat het gaat om de onbegrijpelijkheid dat ik vermogensbelasting moet betalen en mijn collega’s niet. Volgens mij gaat het geschil over de rechtvaardiging en daarom wraak ik.”
2.3.
Verzoeker heeft de gronden voor het wrakingsverzoek als volgt nader toegelicht in zijn e-mailbericht van 28 mei 2025:
“Mijn beroep is gegrond op gebrek aan motivering van de uitspraak op bezwaar, zie mijn gronden §33. Dat mr. Pelinck het wil hebben over de aanslagen IB over 2019 en 2020 is daarmee niet correct, zoals door mij ter zitting aangevoerd (zie proces-verbaal). Dit was het voorteken van een schijn van vooringenomenheid.
In mijn gronden heb ik beargumenteerd dat deze zaak niet vergelijkbaar is met vorige (zie de inleiding op mijn gronden). Met zijn aanhalen van drie vorige procedures geeft mr. Pelinck blijk van geen of althans onvoldoende dossierkennis. Dit was de bevestiging van de schijn van vooringenomenheid.
Bovendien heb ik in mijn gronden duidelijk gemaakt dat mijn zaak gaat over de ontbrekende rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling door de inspecteur en door de overheid (zie mijn gronden § 8, 9 en mijn repliek § 15 (let op: 2 alinea’s)). Het feit dat mr. Pelinck uitgelegd wil krijgen of de zaak erom draait dat ik het niet oké zou vinden dat sommige van mijn collega’s geen vermogensbelasting betalen bevestigt dat mr. Pelinck het dossier niet kent of begrijpt. Daarmee heb ik er geen vertrouwen in dat mr. Pelinck een onafhankelijke beslissing kan treffen.”
2.4.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Volgens verzoeker is door de wijze waarop de rechter ter zitting de kern van het geschil formuleerde, gebleken dat hij het dossier niet kent of niet begrijpt, waardoor de rechter de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt.
3.3.
Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechter bij de inleiding van de zaak het volgende heeft opgemerkt:
“Wij gaan het hebben over de aanslagen IB over de jaren 2019 en 2020. (…) Het gaat erover dat u het niet oké vindt dat sommige van uw collega’s geen vermogensbelasting, noem ik het maar, betalen en u wel. Zie ik dat goed?”
3.4.
De rechter heeft ter zitting kennelijk in eigen bewoordingen en in vragende vorm de kern van het geschil benoemd als inleiding op de verdere bespreking daarvan. Naar het oordeel van de wrakingskamer staat het de rechter vrij om in zelf gekozen, niet-juridische maar meer algemene bewoordingen het gesprek ter zitting te openen. De betreffende alinea behelst niets meer dan een zeer algemene introductie en een uitnodiging tot inhoudelijk debat. De rechter heeft bovendien vervolgens verzoeker door het stellen van de
vraag “Zie ik dat goed?”onmiddellijk in de gelegenheid gesteld om op zijn introductie te reageren en een (nadere) toelichting en een eigen visie te geven. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt niet van enige belemmering van verzoeker door de rechter om op de inleidende opmerkingen te reageren.
3.5.
Uit de gekozen bewoordingen van de rechter kan naar het oordeel van de wrakingskamer daarom redelijkerwijs geen enkele conclusie worden getrokken over de inhoudelijke visie van de rechter of de inhoudelijke beoordeling van het geschil. Evenmin kan daaruit - gelet op het voorgaande - worden afgeleid dat de rechter het dossier niet kent of niet begrijpt.
3.6.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is uit de gang van zaken ter zitting van 8 mei 2025 op geen enkele wijze de schijn van vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter op te maken. Dit levert dan ook geen grond voor wraking op.
3.7.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, J.E. Bierling en S.M. Krans, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.